Referendum ongeschikt voor onafhankelijkheid

Het Schotse referendum bewijst dat alleen een ja of nee van kiezers ongeschikt is voor ingewikkelde kwesties als onafhankelijkheid of een nieuwe Grondwet. Na de uitspraak is een land meestal verder van huis, ook in het Schotse geval, vindt Henri Beunders.

Een referendum lijkt het duidelijkste instrument in de politiek. ‘Het volk spreekt!’, ‘Dag van de waarheid!’, ‘Festival van de Democratie’. Maar de werkelijkheid is onvoorspelbaarder, modderiger meestal.

Dit toont ook Schotland aan. Door het referendum over onafhankelijkheid is het land meer gespleten dan ooit. De nationalistische premier Salmond kreeg met het 44,7 procent Yes nog minder stemmen dan zijn partij bij de laatste verkiezingen, in 2011.

Het referendum lijkt een typisch geval van naïviteit van de verlichte progressieve klasse, chagrijnig omdat de Britse bestuurlijke klasse voor bijna driekwart bestaat uit ‘Oxbridge-mensen’. Het doel van het referendum was autonomie over alles, behalve defensie, buitenlandse zaken, en met behoud van staatshoofd, munt, NAVO en Europa.

Maar ja, dat stond niet op het stembiljet. Daar stond slechts: ‘Moet Schotland een onafhankelijk land worden?’ De ‘getatoeëerde klasse’ uit Glasgow ging zich roeren. ‘Yes! Hogere uitkeringen, lagere huren, gratis gezondheidzorg!’ Oei, het pond zakte iets, de huizenprijzen ook weer – dat was niet de bedoeling. Tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren. Dus ging men maar stilletjes No stemmen, in de hoop dat er toch maximale autonomie zou uitrollen.

Conclusie: een referendum is een politiek paardenmiddel. De uitkomst is niet zelden een verslechtering. De afgelopen halve eeuw laat zien hoe ongewis het referendum is. President De Gaulle schreef in 1969 een constitutioneel referendum uit, dat nipt werd verworpen en de volgende dag trad hij af. Verandering nul. Bij het Zweedse referendum in 2003 over de invoering van de euro waren er in sommige gebieden zo veel blanco’s dat ja noch nee de meerderheid had. Het totaal was nipt nee, dus men behield de kroon maar. Er veranderde niets.

De geschiedenis blijkt een krachtiger hefboom. De Oost-Duitsers gingen in maart 1990 naar de stembus, de CDU van Helmut Kohl won en een half jaar later was de hereniging een feit. In Tsjechoslowakije duurde de scheidingsoperatie tussen beide landen ook een half jaar. Zonder referendum.

Bosnië moest van de EU een referendum houden over onafhankelijkheid, 99,7 procent zei ja, en daarna brak de burgeroorlog uit. Kosovo riep twee keer, in 1990 en 2008, eenzijdig, dus zonder referendum, de onafhankelijkheid uit, die uiteindelijk internationaal werd erkend. Beide landen gelden nu als failed states.

Het referendum heeft ook voordelen. In Schotland voelde iedereen zich op de dag des oordeels belangrijker en Schotser dan ooit. In landen waar men vaker een referendum heeft, zoals Zwitserland, schijnen ze iets gelukkiger te zijn dan in landen waar ze slechts eens in de vier jaar naar de stembus mogen, en dan maar moeten afwachten welke regering er uitrolt. De stemmingen daar gaan veelal over praktischer zaken: minaretten, gastarbeiders – niet het voorbestaan van het land zelf.

Een referendum werkt ook als de kloof tussen de politieke klasse en ‘het volk’ te groot wordt, zoals bleek in Nederland (en Frankrijk) in 2005 tijdens het referendum over de Europese Grondwet. Tweederde van de Tweede Kamer was voor, tweederde van de kiezers was tegen. En men stemde niet tegen die grondwet, maar tegen die ‘te snelle uitbreiding’ van de EU naar het zuidoosten. De gevolgen waren nadelig. De Nederlandse regering is nu permanent bang voor het volk, en dus ook maar eurosceptisch. Vaker overleggen met het volk is er niet bij.

Het grote voordeel van het Schotse referendum is niet die overdreven politieke interesse, die zal snel weer wegebben. Nee, een existentieel referendum als dit is als een röntgenfoto van alle kansen en moeilijkheden die onafhankelijkheid met zich meebrengt. En van alle opvattingen onder alle delen van de bevolking. De complexiteit is niet te vergelijken met de simpelheid van de scheiding tussen Tsjechië en Slowakije. Daar was er geen EU, NAVO, monarch of Noordzeeolie.

Het resultaat nu is een verdeeld land, wat niet nodig was geweest. In de voortgaande Devolution naar autonomie had een volksvergadering, al dan niet via loting samengesteld, die over de precieze verhouding tot het Verenigd Koninkrijk een advies zou voorleggen aan de bevolking waarschijnlijk een beter resultaat hebben opgeleverd. De nieuwe IJslandse grondwet, door ingelote burgers zelf opgesteld, is in een referendum door 75 procent van de bevolking aanvaard. Een vraag voorleggen die alleen met ja of nee kan worden beantwoord, leidt tot problemen. In een levendige democratie hoort er een combinatie te bestaan tussen verkiezingen van vertegenwoordigers, directe verkiezingen zoals een referendum en adviserende volksvergaderingen. Referenda kunnen het beste gehouden worden over simpele keuzen: wel of geen homohuwelijk, bouwstop op minaretten, een metro.