Prehistorische boeren liepen steeds minder

In de eerste millennia van de landbouw in Centraal-Europa liepen de mannelijke boeren flink rond. Drie archeologen en antropologen uit Cambridge en Dublin leiden dat af uit metingen aan in totaal 443 scheen- en kuitbeenderen uit graven uit de periode 5300 voor Chr. tot 850 na Chr. De onderbenen van de boeren uit de eerste 4000 jaar (Neolithicum en Bronstijd) blijken in stevigheid vergelijkbaar met die van moderne mannelijke cross country renners, maar iets minder eenzijdig ontwikkeld. De prehistorische boeren deden duidelijk veel meer dan vooral rechtdoor rennen, schrijven de onderzoekers.

Opvallende conclusie van het onderzoek is dat er na ca 1500 v. Chr., vanaf de late Bronstijd en in de IJzertijd, een omslag komt: de onderbenen van de mannen worden minder dik en stevig (Journal of Archaeological Science, online 16 september).

De grote vraag is: wáárdoor ging die boeren minder lopen? De onderzoekers zoeken een mogelijk oorzaak in de na 1500 v. Chr. toenemende complexiteit van de samenleving en techniek: meer arbeidsverdeling, grotere dorpen, andere ploegtechniek. Ook werd er meer paard gereden. Sommige mensen zullen nog steeds veel gelopen hebben maar er kwamen meer mensen die dat niet deden: smeden, leerbewerkers, pottenbakkers. De introductie van de ijzeren ploeg betekende dat het ploegen veel efficiënter ging, en ook boeren dus minder hoefden te lopen. Het verschil tussen mannen en vrouwen in onderbeenstevigheid werd in die tijd ook minder. De aarzeling over de oorzaak wordt mede veroorzaakt door het feit dat sommige factoren helemaal geen invloed lijken te hebben gehad. De introductie van de kar, het paard en de ossenploeg ca. 3000 v. Chr. is bijvoorbeeld niet terug te vinden in de onderzochte onderbenen.