Overal grijnsde de dood ons aan

Lang was de herdenking van de Slag om Arnhem, 70 jaar geleden, een militaire zaak. Nu pas vertellen de inwoners hun verhaal. „De Engelsen bombarderen de kazerne!”

Inge Brainich von Brainich-Felth (links) maakte als 7-jarige de Slag om Arnhem mee. Ze woonde inpark Sonsbeek. Op zondag 17 september 1944 was ze ooggetuige van de geallieerdeoperatie Market Garden (rechts). Foto’s uit familiearchief, ANP, HH

De Slag om Arnhem begon op zondag 17 september 1944. Mijn moeder zegt het ferm, ik hoef het heus niet te googlen, ze weet het zeker.

Mijn moeder ging die ochtend wandelen met haar vriendin Elsje en Elsjes ouders. Het was een mooie herfstdag. Het viertal liep richting Ede toen ze plotseling het gieren van aanstormende jachtvliegtuigen hoorden, gevolgd door het lage dreunen van bommenwerpers. Binnen enkele seconden brak een hels kabaal los.

Het duurde even voordat Elsjes vader begreep wat er aan de hand was, toen riep hij uit: „De Engelsen! Ze bombarderen de kazerne!” Hij trok zijn vrouw en de twee kinderen naar twee grote kuilen in het bos, bedoeld om Duitse pantserwagens aan het oog te onttrekken en boog zich beschermend over mijn moeder heen.

Waarom weet mijn moeder nog altijd niet, maar op een gegeven moment richtte Elsjes vader zich op, slingerde haar in de andere kuil en dook er zelf achteraan. Een paar seconden later klonk een langgerekte zoef, gevolgd door een klap. Aarde spatte in het rond. Op de plek waar mijn moeder zo-even had gezeten, stond nu een granaatscherf rechtop in de grond.

Terwijl ze zich naar huis haastten, zagen ze achter zich honderden parachutisten in de lucht zweven.

Operatie Market Garden

Woensdag was het zeventig jaar geleden dat de Slag om Arnhem begon. Met operatie Market Garden, zoals de Britten het noemen, wilden de geallieerden via Arnhem Duitsland binnen vallen. Het plan mislukte. Na negen dagen werden de bevrijders gedwongen zich terug te trekken. Aan geallieerde zijde sneuvelden 1.485 militairen; aan Duitse zijde vielen zo’n 1.800 doden. Onder de burgerbevolking vonden ruim duizend mensen de dood.

Het jubileum is deze maand groots herdacht in Arnhem en omstreken; van de Airborne Wandeltocht op 6 september tot en met de kranslegging zondag op de begraafplaats in Oosterbeek.

Mijn moeder, ze heet Inge Brainich von Brainich-Felth, was pas zeven jaar oud toen de Slag om Arnhem begon. In het najaar van 1944 woonde ze met haar moeder en broer in het koetshuis in park Sonsbeek, bij haar grootouders in. Haar vader, een marineofficier, was als krijgsgevangene afgevoerd naar het oosten. Vanaf het hoger gelegen park keek de familie uit over Arnhem.

Gedurende de strijd zat het gezin in de schuilkelder van het koetshuis. De lucht trilde, de aarde beefde. Alleen de zeer gelovige dienstmeid uit de naastgelegen witte villa, waar hoge Duitse officieren waren ingekwartierd, bleef buiten. Met een bijbel in haar hand liep ze heen en weer, terwijl ze psalmen voor zich uit prevelde.

Op 25 september trokken Duitse soldaten de deur van de schuilkelder open. Mijn familie werd naar buiten geschreeuwd. In de lager gelegen stad zag mijn moeder de verwoesting; huizen brandden, het warenhuis smeulde, de Eusebiuskerk was verwoest, rond de brug over de Rijn stond geen steen meer op de andere.

In een onafzienbare rij liepen ze vervolgens de Apeldoornse Weg op. Voor de oorlog woonden er zo’n honderdduizend mensen in Arnhem, na de strijd bleven er een paar honderd over. De rest werd gedwongen te vertrekken, door de Duitsers, die vreesden voor nog een aanval. Burgers konden ze daarbij niet gebruiken.

Veel vluchtelingen hadden een witte theedoek aan een tak gebonden. Mijn moeder droeg een wit servet om haar bovenarm. Aan het eind van de dag kreeg de familie onderdak bij een onbekend gezin; de nacht bracht mijn moeder door in de bezemkast onder de trap, uit angst voor de voortdurende bombardementen. Bij het ochtendgloren blies een geallieerde bom de deur uit het slot.

In de maanden die volgden, woonden ze met tientallen andere vluchtelingen bij een boer in Beekbergen, in een stal. Mijn moeder stond regelmatig met andere kinderen op de uitkijk. Zagen ze Duitsers, dan waarschuwden ze de zonen van de boer, die zich dan vlug in hun schuilplaats onder de bijenkorven op het land verstopten.

Bussen met veteranen

Lang is de slag om Arnhem vooral een iconische militaire slag geweest. Al neemt de veldslag in het collectieve geheugen van Nederland geen voorname plek in. „Nederland herinnert zich het bombardement op Rotterdam, de razzia in Putten, de hongerwinter in Amsterdam, maar niet de Slag om Arnhem”, zegt directeur Jan Hovers van het Airborne Museum in Oosterbeek. Wellicht heeft dit te maken met de vorm van het militaire treffen. Het bombardement van Rotterdam had een historisch belang; dat markeerde het moment van overgave. De Slag om Arnhem was er een in de serie geallieerde acties tijdens het oprukken vanuit Normandië.

In Arnhem en omgeving wordt operatie Market Garden overigens wel herdacht. Hovers: „Veel jongetjes hebben hier hun eigen Airborne-museumpje op zolder.” Maar ook hier geldt dat het vooral om de militaire beleving gaat.

Het Airborne museum heeft daar overigens zelf aan bijgedragen. Lang heeft het museum vooral het militaire verhaal verteld: hoe de Britse luchtbrigades onverwacht op twee Duitse SS-pantserdivisies stuitten, hoe de Britse soldaten straat voor straat moesten prijsgeven. „Dat was een louter militair verhaal, verteld vanuit het geallieerde perspectief; de Duitsers waren boeven en burgers kwamen er niet in voor”, aldus Hovers.

En dan was er nog de film, A Bridge too far, met hoofdrollen voor Sean Connery, Robert Redford en Anthony Hopkins. Geen wonder dat het Airborne museum vooral bussen met Britse veteranen en hun nabestaanden trok.

Maar de rol van het museum, en niet alleen van Airborne, verandert, zegt Hovers. „Het museum van nu staat meer in het heden, wil duiding geven aan de mensen in de regio.” Daarom heeft het Airborne museum de expositie ‘Van huis en haard – Airborne memories’ samengesteld, waarin burgers elkaar interviewen. Omringd door voorwerpen uit die tijd en beelden van de slag en evacuatie, klinken verhalen van ooggetuigen. En dan blijkt dat de oorlog vaak nog springlevend is.

Tommies

Riki Huijgen, ze was destijds twaalf jaar, is de vlucht uit de stad nooit vergeten. „We moesten dagenlang schuilen in de bossen, met te weinig kleding, honger en vooral dorst.” Chris van Roekel, tien jaar oud, liep met haar ouders de Utrechtseweg op. „Ongewild liepen we zo rechtstreeks de gevechtszone in. Overal grijnsde de dood ons aan.” Willie van Lingen, negen jaar oud, zag op de Apeldoornseweg lijken van soldaten. „Al die Tommies met verbrande gezichten, allemaal zwart. Dat heb ik lang bij me gehouden.”

De nu 82-jarige Henk Capelle deed in de Slag om Arnhem zijn vrees voor harde geluiden op. Hij ging laatst met zijn zoon en kleinzonen naar een voetbalwedstrijd. Zes keer scoorde het team en zes keer barstte het stadion in luid gejuich uit. De oude Capelle zat al die keren met zijn hoofd tussen zijn knieën, handen over de oren. „Die angst voor lawaai moet iets met de oorlog te maken hebben”, zegt zijn zoon op het bijbehorende videofilmpje.

Hetzelfde geldt voor mijn moeder. Slaat er een deur dicht of knalt er een uitlaat, dan slaat zij haar handen voor haar oren. Ik heb zo al menig kop koffie over haar blouse zien gaan. Tussen Kerst en Oudjaar gaat ze de straat niet op. Ze is zelfs opzettelijk boven een winkelcentrum gaan wonen, waar ze bijkans met de lift de supermarkt binnen zoeft. Ze heeft alleen geen rekening gehouden met het Chinese restaurant op de hoek.

Herdenken verandert, zegt directeur Hovers. „Mensen hebben er lang niet over willen praten, ze wilden vooruit kijken. En bovendien, vergeleken met de soldaten hadden ze toch weinig geleden. Wat stelt ons leed dan voor, vroegen ze zich af.”

Maar aangekomen in hun laatste levensfase beginnen de verhalen te stromen. Daarbij, zij zijn de laatste ooggetuigen, realiseren ze zich. Over vijf of tien jaar zijn ze dood. Dan is er niemand meer die de Slag om Arnhem heeft meegemaakt.

Ook hun kinderen en kleinkinderen voelen de druk van de tijd. Ze vragen: Wat hebben jullie meegemaakt? Wat heeft jullie gevormd? Wie zijn jullie? En, in lijn van die laatste vraag: wie ben ik?

Hovers, hij werkte eerder bij de Anne Frank Stichting, ziet het ook elders gebeuren. De Dam stroomt ieder jaar voller op 4 mei en op 15 augustus, als de Japanse capitulatie wordt herdacht, is het dringen bij het Indië-monument in Den Haag.

Zilveren bestek

Ook ik ga regelmatig met mijn moeder terug naar park Sonsbeek en neem dan mijn dochtertje mee. Al kunnen we niet meer naar het koetshuis, want dat bestaat niet meer. Het is na de door de Duitsers afgedwongen evacuatie geplunderd, als zoveel huizen in Arnhem. Een familielid vond achter de opengetrapte deur alleen nog een lade met zilveren bestek, die waren de plunderaars vergeten mee te nemen. Wij hebben nog jaren met Kerstmis met dat bestek gegeten. Na de plundering werd het koetshuis per ongeluk geraakt door een V1. Het puin is later met een shovel in de schuilkelder geschoven.

Op de restanten van mijn moeders kindertijd is een brasserie gebouwd: de Palatijn. We gaan er wel eens koffie drinken. Mijn moeder, ze is nu 77 jaar, vertelt dan honderduit, maar ze verlaat de brasserie vaak wel een beetje verdrietig. Als ik haar na zo’n bezoek vraag wat ze voelt, haalt ze haar schouders op. Och, zegt ze.

We stappen in de auto die we voor het oude huis van Elsje hebben geparkeerd. Als we over de Apeldoornseweg rijden, begint ze toch weer te praten. „Ja, hier moet het ongeveer zijn geweest. Hier waren ondiepe kuilen gegraven, er lagen grijze lappen over. En toen we die optilden, zagen we roerloze lichamen met lege ogen.”

In Beekbergen kunnen we de boerderij waar ze destijds is ondergebracht, niet meer terugvinden. Alle boerderijen lijken op elkaar, zegt ze. „Laten we maar naar huis gaan.”