Over Buchenwald is alles wel bekend, totdat je er zelf rondloopt

Eigenlijk zou dit stukje over prinsjesdag, de kroongetuige, levenslang toezicht of het VN-boek ‘de Naakte Rechter’ kunnen gaan. Dat er hier nog van alles beter kan, enzo. Maar dat komt nog wel.

Ik moet eerst iets kwijt - drie weken geleden dwaalde ik over de licht glooiende appelplaats van KZ Buchenwald. Dat ligt op de Essenberg, net buiten het voormalige DDR-stadje Weimar. Je hebt daar Goethe, Schiller, Bach, Bauhaus èn nazimassamoord in een straal van tien kilometer. Het raadsel Duitsland in een vestzak. Weimar is prachtig, lieflijk, historisch, rijk en aangenaam. Een paradijsje van cultuur, architectuur en muziek. En van Buchenwald kom je tot het bot verkild terug.

Natuurlijk was ik voorbereid. Ik kende de foto’s, van de stapels lijken, de omheining, het hek met ‘Jedem das Seine’, de executieplaatsen, het absurde dierentuintje voor de staf, pal aan het prikkeldraadhek, met uitzicht op het crematorium. Ik had er alleen niet op gerekend dat de betonnen schouwtafels in het mortuarium exact dezelfde gele tegeltjes hadden als de gang in mijn lagere school. Ik zag even in een visioen mijn schooldokter terug, in lange witte jas. Maar dan hier.

Op het terrein zijn alleen de contouren van de barakken over. Het oog wordt getrokken door de strafpaal. Waar de gevangenen aan de polsen werden opgehangen, achter de rug vastgebonden. En de enorme kar met rotsen en ijzeren wielen die rond gezeuld moest worden. Ook als straf. Ik was er op maandag. Het museum met de martelwerktuigen was dicht. Waarom bezoekt een vakantiemens een concentratiekamp? Omdat totalitaire staten me fascineren en mijn vrouw best mee wilde. Dit zijn plaatsen waar overheden zelf misdadig werden – en burgers beesten voor elkaar. Een rechtsstaat ìs niet vanzelfsprekend. De geschiedenis zet je hier klemvast.

Over Buchenwald is alles wel bekend - kijk maar op www.buchenwald.nl van het Niod. Maar als je er dan bent, begrijp je veel beter op welke schaal dit gebeurde. Dat zo’n kamp maar een onderdeel was van een complete nederzetting met fabrieken, werkplaatsen, kazernes, emplacementen etc. De weg erheen heet dus ‘Bloedstraat’. Er is nog een kort tracé met de originele betonplaten - kedoeng-kedoeng. Je bent meteen 60 jaar terug. Ook het modern ogende benzinepompstation van de SS is er nog. Buchenwald was deels werkkamp, deels sterfkamp, waar uiteindelijk 50.000 gevangenen crepeerden. Deels werkten ze zich dood, uitgehongerd, deels zijn ze systematisch om het leven gebracht. Door ophanging of met injecties, de zieken, althans.

Als geharde lezer dacht ik alles wel te weten. Maar bij het bordje ‘Genickschussanlage’ (automatische nekschotinstallatie) kon ik me geen voorstelling maken. Het bleek te gaan om een replica, nagebouwd.

Ik heb het bekeken, op me in laten werken, erover nagedacht, althans geprobeerd en nog kan ik het moeilijk bevatten. Wie verzint zoiets? Ik weet hoe de joden de kampen zijn ingedreven, hoe ze werden misleid bij de selectie en de gaskamers in werden gemanipuleerd. Moord was een industrieel proces, met productiecijfers, logistieke methoden en technieken - de verziekte logica ken ik. Maar een automatische nekschot installatie? Ik liep er rond met de nieuwsbeelden van net onthoofde journalisten op het netvlies. En de kennelijke terugkeer van de Middeleeuwen. Althans, dat was de perceptie: de barbaren aan de poort. Maar dìt gebeurde dus toen mijn ouders nog op school zaten, een paar honderd kilometer verderop. Het vernisje beschaving is dus flinterdun, en splinternieuw. Daarmee relativeer ik niets. Mensen zijn beesten, althans kunnen dat zijn. Toen, nu. Dat is alles.

Er wordt niet uitgelegd hoe het werkte – je stapt binnen en moet het zelf maar uitpuzzelen. Er zijn drie geschakelde ruimtes. Een kleedkamer, waar de kandidaten zich moesten uitkleden. Een tweede ruimte lijkt een medisch onderzoeklokaal. Een bureautje, een oogmeetkaart, een personenmeetlat, een weegschaal, stoel, kapstok, bureautje, vitrine. Hier werkt een dokter, kennelijk. Alleen de vloer, bedekt met een houten raster, is ongewoon. In de derde ruimte staat een grote, met zink beklede bak, op wieltjes. Voor de lijken?

Bij nadere inspectie blijkt de meetlat bevestigd aan de muur die grenst aan de kleedruimte. Als je omloopt zie je daar een deur, die toegang geeft tot een diepe kast, formaat telefooncel. Aan de tussenwand is een langwerpig luikje bevestigd, een soort verticale brievenbus. Doe je die open, dan kijk je via een smalle sleuf in de behandelruimte, precies door de meetlat heen. Als je zover bent, valt het kwartje. Het zal toch niet?

Maar het is dus wel zo. Ik stond in een schuttershok - daar stond een vent door een sleuf in de muur heen mensen aan de andere kant door hun nek te schieten. En die gingen daar aan de andere kant volkomen vrijwillig staan, op aanwijzing van een ‘dokter’ die wilde opschrijven hoe lang ze waren. Zich van niets bewust. Naar het schijnt zijn daar 8000 Sovjet-gevangenen doodgeschoten. Er klonk harde marsmuziek om het schot te camoufleren. Het (rode) houten vloerraster maakte snel bloed wegspoelen mogelijk. Ziek, misselijk, abattoir, slachthuis, nachtmerrie - er tuimelde van alles door mijn hoofd toen ik het doorhad en de frisse lucht opzocht.

Eigenlijk ben ik er nog van in de war. Wie verzint dit? Wie doet zoiets? Wie gaat daar staan knallen? Wie wijst de hele dag de kandidaten aan waar ze moeten gaan staan? Nächste! Achtduizend man!

Jézus.

Sorry.

Volgende week weer een gewoon stukje. Over de rechtsstaat. En hoe mooi dat is.