Niemand die het voor me opnam

Schoonheidsspecialiste Irina Dovgan (52) werd aan de schandpaal gebonden in Donetsk, Oekraïne. Voorbijgangers bespuwden, sloegen en vernederden haar. Maar waaróm? Dit is haar verhaal.

Ik kom uit Jasinovata, een kleine stad in de buurt van Donetsk, feitelijk een voorstadje. Ik ben 52, moeder van twee kinderen en werk als schoonheidsspecialiste. Ik heb mijn vaste klanten, het is een zeer aangenaam beroep. Mijn man is hoofdingenieur bij een succesvolle bouwonderneming. Het ging ons gezin redelijk voor de wind, we hadden een huis met een tuin, ook een groentetuin. Ik ben een heel gewoon iemand.

De politiek is vreselijk. Maar ik was wel voor de eenheid van Oekraïne. Ik ben nu eenmaal Oekraïens staatsburger en ik heb een Oekraïens paspoort. Mijn achternaam, Dovgan, is Oekraïens. Als kind woonde ik bij mijn grootmoeder in het gebied van Dnjepropetrovsk, waar het hele dorp Oekraïens sprak. Ik heb veel gereisd en weet wat het betekent om thuis te komen, hoe fijn dat is. Waar je ook bent geweest, en hoe mooi het ook geweest mag zijn, beter dan thuis is het eenvoudigweg nergens.

Ik sympathiseerde met de Maidan-revolutie en wilde er de hele tijd heengaan, maar mijn man zei steeds: ze redden het ook wel zonder jou, blijf nou maar thuis. Dus ben ik niet gegaan. Maar we hebben wel geld gegeven.

Je kunt je niet voorstellen hoe blij we waren: eindelijk waren de mensen wakker geworden, nu zouden we positieve Europese veranderingen in ons land krijgen. Eindelijk wierpen we de ketenen af die ons door die idiote president waren opgedrongen, en alles zou goedkomen. De Maidan-revolutie vertegenwoordigde voor ons enorm veel hoop, althans vóór de tragische gebeurtenissen daar. Ik heb de hele tijd gewacht en gehoopt dat wij zouden zegevieren, dat alles goed zou komen. Dat de mensen tot rede zouden komen en zouden begrijpen dat je het land niet mag opbreken.

De media hebben de mensen in Jasinovata wijs gemaakt dat ze het nergens beter kunnen hebben dan in de Donbass, dat zij heel Oekraïne voeden, ja, zelfs de hele wereld. De mensen in de Donbass zijn heel speciaal. Ze willen beslist niet naar je luisteren. Ze zijn ervan overtuigd dat de Donbass een trotse regio is die nooit op de knieën kan worden gedwongen, enzovoorts.

Neem bijvoorbeeld mijn werk. Wat betekent het om schoonheidsspecialist te zijn? Nauw contact met vrouwen, veel gesprekken, vier tot vijf klanten per dag. Ik ben veel klanten kwijtgeraakt, toen ik ze probeerde uit te leggen hoe landen samenwerken en dat je samen sterker bent. Dat de Bondsrepubliek Duitsland bijvoorbeeld serieuze nadelen voor lief had genomen om de hereniging met de DDR mogelijk te maken, en dat de rijke mensen daarvoor bepaalde offers wilden brengen. Veel vrouwen begrepen mij niet en sommigen ontwikkelden zelfs een regelrechte haat tegen me. Eén van hen zei me in mijn gezicht dat ik een domme koe was. Toch ben ik altijd openlijk mijn mening blijven uiten. Dat heeft mijn man op zijn werk ook gedaan. Dat was nu eenmaal hoe wij dat als gezin deden.

Ongemerkt door een mijnenveld

Toen de VRD(VolksRepubliek Donetsk)-mensen in Jasinovata kwamen, leek het aanvankelijk een spel. De oude omaatjes zeiden: „We willen de Sovjet-Unie terug, niemand kan ons tegenhouden.” De peettante van mijn dochter zei voor het referendum: „Ik ga nu stemmen, vóór de Sovjet-Unie.”

De één handelde uit eigenbelang, de andere had op de Russische televisie gehoord dat de lonen drie keer en de pensioenen vier keer zo hoog zouden worden, dat de sterke man Poetin zou komen, dat hij orde zou scheppen en onze corrupte Oekraïense politici zou vervangen.

In het begin was er geen agressie, er was geen groot schisma. Voor- en tegenstanders van de Oekraïense eenheid praatten met elkaar. Maar de televisie maakte de tegenstellingen dieper. Het was niet langer mogelijk neutraal te blijven. De spanning steeg enorm. Ik bleef bij mijn mening. Met veel mensen is de communicatie verbroken, zelfs met familie. Zo verging het ook anderen.

Verder bleef het rustig, er werd niet geplunderd. In Jasinovata is dat nú pas gebeurd, van de ene dag op de andere. We wisten wel dat er een paar mensen uit Jasinovata in Donetsk werden vastgehouden, maar daar wond niemand zich over op. Toen ik riep dat de eigenaar van een klein reclamebureau, de vader van drie kinderen, in Donetsk was gearresteerd, interesseerde dat niemand. Dat was anderhalve maand geleden. De mensen kan het niets schelen. Zelfs degenen die de Oekraïense visie onderschrijven, waren niet bereid iets te doen en te vechten.

Niet ver van ons vandaan is een kleine nederzetting, daar werd een brug opgeblazen. Ik was met de kinderen van een bekende van me onderweg, om ze naar familie in Slavjanogorsk te brengen. Toen ik de opgeblazen brug passeerde zag ik dat daarachter Oekraïense soldaten gelegerd waren. Ik ging naar ze toe en sprak ze aan. Dat was anderhalve maand geleden. Ik besloot ze voedsel en medicamenten te brengen en vertelde dat aan een paar mensen die ik vertrouwde.

Velen steunden mij. Ze gaven me geld, dekens, iemand bracht een slaapzak. Voortdurend werd er ingezameld. Een vrouw sloot zich bij mij aan – ik mag haar naam niet noemen, misschien is ze nu nog steeds wel in dat gevaarlijke gebied. We zijn er samen heengereden, de ene keer met mijn auto, de andere keer met de hare, om niet op te vallen. Ik onderhield al langer contact met een Oekraïense hulpverleenster, Tatjana Ryzhkova. Al sinds het voorjaar, toen er bij ons nog geen Oekraïense soldaten waren, heb ik haar dingen gestuurd, zoals kleding, ondergoed en sokken voor de soldaten.

Kort geleden kreeg ik van bevriende hulpverleners uit Kiev, via Charkov en Kramatorsk, drie grote zakken militaire camouflagekleding. Ik haalde ze af en bracht ze naar de soldaten waar ik me om bekommerde. Die waren inmiddels al ergens anders gelegerd. Ik wist ze toch te vinden. Ook levensmiddelen bracht ik mee. We hadden 16.000 hryvnja (922 euro) ingezameld.

In onze regio hebben de mensen geen geld meer. Het is een catastrofe. Lonen en pensioenen worden niet meer uitgekeerd, en toch hebben ze mij hun laatste spaargeld gegeven. Ik voelde me verplicht dit moment met een camera vast te leggen. Daarvóór had ik nog nooit gefotografeerd, nu maakte ik foto’s met mijn tablet: van de camouflagekleding, van de soldaten, hoe zij spullen voor zichzelf uitzochten.

Daarna begeleidden ze me terug – ik had niet gemerkt dat ik door een mijnenveld was gereden. Een transportwagen reed voor me uit, ze brachten me naar de weg, naar een veilig punt. Ook dat ik heb ik gefotografeerd.

Sieg Heil! Sieg Heil!

Mijn tablet met alle foto’s werd gevonden, mijn Facebookaccount gekraakt. Ze hebben de mails aan Tatjana Ryzhkova en de vrijwilligers uit Donetsk gevonden.

Ze kwamen bij mij thuis. Ik was in de tuin aan het werk, en ze namen me mee zoals ik was gekleed. Wat je op de foto’s ziet, is slechts een klein deel van wat er op die verschrikkelijke dag is voorgevallen. Ik wilde alleen maar dood.

De mannen van het ‘Vostok’-bataljon, die zelfs bij de verhoren nog tamelijk hoffelijk waren, hebben mij overgedragen aan het Ossetische bataljon. Daar begon het folteren.

Ze brachten me naar de benedenverdieping, naar een kamer met ongeveer twintig Kaukasiërs. Eén van hen laadde zijn pistool en vuurde meerdere schoten af, vlakbij mijn oor. Ik werd doof. Tot op de dag van vandaag hoor ik slecht.

Ze keken naar de foto’s op mijn tablet. Op een screenshot was het gezicht zichtbaar van een van de aanwezige Osseten. Hij heet Zaur. Op internet is hij redelijk bekend.

Ik had dat screenshot gemaakt om mijn bekenden te laten zien dat in Donetsk geen Oekraïeners en zelfs geen Russen, maar huursoldaten uit andere landen vochten. Toen ze de foto van Zaur ontdekten, mishandelde hij mij zwaar. Hij beval mij de Hitlergroet te brengen en ‘Sieg Heil’ te roepen. Hij noemde mij een fascist.

Ik weigerde, en toen doken ze op me af. Toen ik op de grond lag, knielde hij naast me en schreeuwde in mijn oor: „Sieg Heil!” Dat riepen ze allemaal.

Ik beschermde mijn hoofd met mijn handen. Ze zeiden: „Draai je om, wij beslissen wel hoe we je zullen verkrachten. Hoeveel wil je er – tien of twintig? We kunnen je ook veertig of vijftig mannen bezorgen.”

Dat ging de hele tijd zo door. Ik gaf ze de pincodes van alle bankpasjes van mijn gezin. Ze kwamen erachter dat we bij een bank een gezinsrekening hadden met 12.000 euro. Ze eisten dit geld, omdat ik de Oekraïense soldaten geld had gegeven. Ze zeiden: „Nu weten we dat je 300.000 hryvnja hebt gestort.” Ik zei dat dat niet waar was.

Iemand maakte een bord waarop stond dat ik een fascist was en kinderen vermoordde. Ze hingen dat aan mijn nek, wikkelden me in een Oekraïense vlag, voegden er nog een paar Oekraïense symbolen aan toe en reden met me naar Donetsk. Daar was een grote kruising.

Ik werd tegen een paal aan gezet, maar niet vastgebonden. Steeds weer schreeuwden ze: „Sieg Heil!” en „Sta stil!”.

Ik mocht mijn knieën niet buigen, moest op mijn tenen staan, tegen de paal blijven leunen. Er kwamen auto’s voorbij.

Er waren honderden huursoldaten uit Ossetië in Donetsk. Ze stopten, vroegen wat er aan de hand was. Dan lachten ze en lieten zich fotograferen met mij op de achtergrond. Iemand voerde een toneelstukje op. Hij zei: „Stap opzij en ik schiet je in je knie.”

Ik begon te huilen en te springen, en ze moesten allemaal lachen. Hij schoot voorlangs.

Kwel me niet langer

Heb je de vrouw op de foto gezien die me in mijn buik schopt? Zij was niet de enige. Een oudere vrouw sloeg me met haar stok, op mijn hoofd, op mijn rug, op mijn schouders. Ik heb heel veel blauwe plekken. De wonden en striemen op mijn benen zijn van de geweerkolven waarmee ze me porden.

Veel jonge vrouwen sloegen me in mijn gezicht, op mijn hoofd, gaven me oorvijgen. Een foto kan dat niet goed overbrengen.

Nog erger dan degenen die mij sloegen waren de anderen die gewoon voorbijkwamen. Er stopten auto’s waaruit goed geklede mannen stapten. Eerst maakte de één een foto met mij, vervolgens gaf hij de camera of het mobieltje aan de ander, en die maakte er dan ook een. De vrouwen gedroegen zich net zo.

Niemand nam me in bescherming, niemand nam het voor mij op. Er werd beweerd dat ik een fascist was, een stuk stront. Ik zou sluipschutter zijn geweest en kinderen hebben gedood.

Ik riep dat ik zelf twee kinderen heb, dat ik nog nooit iemand had gedood en al helemaal geen sluipschutter kon zijn, omdat ik veel te slecht zie. Al die waanzin, ik kan me niet eens alles meer herinneren.

Een automobiliste nam zelfs de moeite haar kofferbak te openen waarin tomaten lagen. Eerst bekogelde ze me daarmee en vervolgens wreef ze twee tomaten in mijn gezicht en smeerde het sap in mijn ogen.

Door het tomatensap heen kon ik twee gezichten herkennen die een enigszins aangedane indruk op me maakten. Een man met een professionele camera, en een andere, iets grotere man die ook foto’s maakte.

Journalisten? Zouden zij mij beschermen? Die hoop kwam even in mij op.

Maar het grootste deel van de dag wilde ik niets liever dan sterven. Ik smeekte: „Dood me, kwel me niet langer, maak er gewoon een eind aan. Als jullie denken dat ik dat verdiend heb, schiet me dan dood.”

Maar ze antwoordden: „Hoer, zo makkelijk kom je er niet vanaf.”

Toen kwam er een Wolga, misschien met een paar voormalige politieagenten of zoiets. Hun kleding was schoner dan die van de Osseten. Ze wilden me meenemen. Ze maakten duidelijk ruzie, want de Osseten wilden me niet laten gaan. Ze duwden me de auto in waarmee ze gekomen waren en brachten me naar een gebouw. Ik denk dat het vroeger een politiebureau was. Nu is het het hoofdkwartier van het ‘Vostok’-bataljon.

Wat voor gebouw het was, weet ik nog steeds niet. Het had wel wat met de politie of de geheime dienst te maken. Toen ik me half oprichtte – ik was met handboeien aan een radiator geketend – kon ik door het raam een sportveld met turntoestellen zien liggen. ’s Nachts wierpen ze me winterkleding toe, zoals politieagenten die dragen, warme gewatteerde broeken.

Ze noemden hem ‘de pederast’

Ik werd opgesloten in een klein kamertje op de begane grond. Daar martelden ze me weer, en spoten ze pepperspray in mijn gezicht.

Twee maal kwam er een Osseet langs, die mij om een of andere reden enorm haatte. Hij mishandelde me bijzonder geraffineerd. Hij nam een kort aanloopje en ramde zijn voet in mijn borst. Ik sloeg met mijn rug tegen de muur en kreeg bijna geen lucht meer. Dat beviel ze, ze genoten ervan.

Steeds weer waren er pauzes en werden er andere mensen binnengebracht. Die werden geslagen totdat ze het uitschreeuwden en weer weggevoerd.

Ik kon niets zien, kroop weg in een hoek en lag krom van de pijn.

Op een gegeven moment werd er een man binnengebracht. Ze noemden hem „de pederast”. Ik begreep dat een vrouw had opgebeld en had beweerd dat hij haar vijfjarige dochtertje had betast. Ik had ze aan de telefoon horen zeggen: „Nu halen we de pederast.”

Tien minuten later brachten ze hem binnen. De man heb ik niet gezien, maar wat ik heb gehoord zal me tot het einde van mijn leven achtervolgen.

Zijn gehuil was onmenselijk, zo hard hebben ze hem geslagen. Ik heb samen met hem in een hoekje gehuild. Ik geloof dat ze hem hebben afgetrokken. Ik weet niet of ze hem hebben verkracht – ze hebben hem weggevoerd en misschien later verkracht, daar hadden ze het wel over.

Als een dier heeft hij gehuild. En dat alles zonder dat er een rechter aan te pas kwam, zonder enig bewijs. Iemand belt op, beweert iets, een man wordt opgehaald. Ik kan me niet voorstellen hoe hij daarna nog verder kan leven. Ik weet niet hoe ik verder moet leven. Ik verkeer nog steeds in een shocktoestand, alsof ik beneveld ben.

Ik heb niets gegeten

Ze hebben me de hele dag vastgehouden. Om negen uur hebben ze me voor mijn verhoor gehaald, en om tien uur zijn de Osseten gekomen. Toen ze me weer op de tweede verdieping naar het ‘Vostok’-bataljon brachten, waar Oekraïeners zaten – gewone mensen om zo te zeggen – was het alweer donker.

Ik was bont en blauw geslagen, en mijn gezicht zat onder het speeksel. De vrouwen die mij sloegen, hebben mij ook voortdurend bespuugd. Ik mocht me toen een beetje wassen. Een moment verloor ik het bewustzijn. ’s Nachts lag ik onder de radiator.

Toen kwam er weer een dag. Er gebeurde niets. Nog een dag later werd ik opnieuw door de ‘normale’ mensen van het ‘Vostok’-bataljon verhoord. Ze gedroegen zich hoffelijk en zeiden dat ze zoiets niet hadden verwacht. Het speet hen, dit was allemaal zonder hun medeweten gebeurd. Als ze het geweten hadden, hadden ze ingegrepen.

Ze hebben zich zelfs verontschuldigd. Ze verhoorden me opnieuw en wilden al het mogelijke over mijn huis weten. Ik vroeg hen waarom ze daar zo in geïnteresseerd waren. Eén van hen zei dat in mijn huis van nu af aan mensen zouden wonen wier huizen door beschietingen waren beschadigd. Aan de radiator geketend begreep ik dat ik nooit meer in mijn huis zou wonen.

De vijf dagen dat ik daar was heb ik niets gegeten. Ze wilden me angst inboezemen en zeiden dat ze met een sonde mijn slokdarm zouden openscheuren. Ik zei dat me dat niets kon schelen en dat ik niet wilde eten. Zo ging dat, tot een van de hoffelijke ‘Vostok’-mannen binnenkwam en mij opdroeg met hem mee te gaan.

Ik begon te huilen en klemde me vast aan de radiator. Ik dacht dat ze me weer naar de Osseten wilden brengen, omdat ik mijn mond had gehouden en geen enkele naam had prijsgegeven. Maar hij zei: „Wees niet bang, kom, alles komt goed.”

We liepen de binnenplaats over naar een ander gebouw. Daar zaten, op de eerste verdieping, de commandant van het ‘Vostok’-bataljon, Chodakovski, en veel andere mensen, waarschijnlijk zijn medewerkers. Hij zei: „Ik wist niet dat deze vrouw bij ons was. Ik begrijp niet hoe jullie dat hebben kunnen toestaan. Het is een schande. Ik zal de schuldigen vinden en ter verantwoording roepen. Ik ben persoonlijk van mening dat mensen elkaar op deze aarde met levensmiddelen moeten kunnen helpen als ze dat willen, tot welk kamp ze ook behoren, dat is geen misdaad.”

Later begreep ik dat hij dat zei in het bijzijn van de twee journalisten die mij hebben bevrijd.

De journalisten brachten me naar een hotel, waar ik een kamer kreeg en me voor het eerst kon wassen. Ik heb een bord vissoep besteld, voor het eerst in vijf dagen kon ik een beetje eten. Andrew Kramer maakte zich veel zorgen over mij. Hij zei dat ze mij de volgende morgen zouden komen ophalen.

Ik zei dat ik nergens heen wilde, eerst moest ik naar huis, naar Jasinovataja. De hond was opgesloten op de binnenplaats en de drie katten in het huis; zonder mijn katten en mijn herdershond ging ik nergens heen.

Hij probeerde mij dat uit het hoofd te praten, maar ik stond erop. Twee mannen van het ‘Vostok’-bataljon brachten me naar Jasinovataja. Ik trof daar een leeggeplunderd huis aan. Alles wat ook maar enigszins waardevol leek, hadden ze meegenomen. Zelfs mijn kleine geheime opbergplaats hadden ze gevonden. Ik wil er niet over nadenken, het doet me zo veel verdriet. Nu is de angst voor de dood weg, maar op de een of andere manier ben ik door het materiële ingehaald. Het doet pijn dat ik mijn hele leven heb gebuffeld en dat ik alles nu kwijt ben.

Ik heb verklaard dat ik geen schadevergoeding zou eisen en dat ze mij alles hebben teruggegeven. Dat heb ik gedaan omdat ik plotseling weer het levenslicht zag. Vergeef me, ik ben een zwakke vrouw. <<