Naastenliefde verplicht

Verzorgingshuis De Liezeborgh was een jaar geleden even wereldnieuws toen familie er moest meehelpen met zorg voor de bewoners. Hoe is het nu? Het personeel moest wennen aan al die familie over de vloer.

De kinderen van Nelly van Bekkum (81, rechts), onder wie haar dochterElli (60), moeten bijspringen in het verzorgingshuis waar hun moeder woont. Foto Robin Utrecht

De kracht is verdwenen uit de handen van Nelly van Bekkum (81). Ze beven te veel om een kam vast te houden. Dochter Elli van Kluyve (60) staat achter de rolstoel van haar moeder, en gaat zachtjes door de dunne grijze haren. Een kleine kamer in verzorgingshuis De Liezeborgh in Haastrecht, een dorp ten oosten van Gouda. Uitzicht op de binnentuin, waar een oudere meneer met kromme rug worstelt met zijn opwaaiende krant.

Familiefoto’s vol lachende gezichten aan de muur; op het dressoir een etagère met gehaakte Engelse dropfiguren uit felgekleurde wol. Een dag eerder was Van Kluyve hier ook, toen haar moeder ineens ziek werd. Griep, koorts, ze kon het bed nauwelijks uit. Van Kluyve: „Het personeel belde me, en ik ben meteen gekomen. Samen met mijn zus en broer neem ik dan de zorg voor een deel over. Dat is vanzelfsprekend, vind ik.”

De Liezeborgh ligt middenin het kleine, schilderachtige dorp. Veel bewoners kunnen nog een uitstapje maken naar de kerk, de bakker en de slager. Het huis heeft 31 appartementen voor ouderen met lichamelijke klachten of dementie. Juist dit huiselijk ingerichte verzorgingshuis was een jaar geleden even wereldnieuws. Er was Japanse televisie, Franse filmploegen, Amerikaanse verslaggevers, hordes Nederlandse journalisten.

De Liezeborgh had toen net bekendgemaakt dat het geven van mantelzorg in dit verzorgingshuis niet meer vrijblijvend zou zijn. Vierstroom, de zorggroep waar De Liezeborgh onderdeel van is, vindt dat zoons en dochters de „morele plicht” hebben voor hun ouders te zorgen. Minimaal vier uur per maand wordt van familie verwacht dat ze mantelzorg leveren. Dat mag van alles zijn: kamers poetsen, meehelpen met koken, een koffierondje maken of de krant voorlezen aan de groep. In principe is er een duidelijke rolverdeling: familie en vrienden zorgen voor een leukere dag en helpen met huishoudelijke taken – welzijn. Personeel is er voor de medicijnen, het wassen en aankleden – de zorg. Hoe heeft dit plan uitgepakt, een jaar later?

Kritiek

„Heel Nederland viel over ons heen om het verplichte karakter van de mantelzorg”, herinnert verpleegkundige Rik Remmerswaal zich. Hij zit in de huiskamer van het woonzorgcentrum. Jan Rutten zit ook aan tafel. Hij is stafmedewerker van Vierstroom. Zo erg was het niet dat er discussie ontstond, vertelt Rutten. „Een mooie bijkomstigheid”, zegt de manager.

Bij De Vierstroom zien ze het zo: mantelzorg voor ouderen in het verzorgingshuis moet dezelfde status krijgen als verplichte kantinediensten bij je kinderen op de voetbalvereniging, of meegaan met een uitstapje op de basisschool. Rutten: „Wij vinden het normaal dat kinderen hun ouders helpen verzorgen als ze eenmaal in het verzorgingshuis terechtkomen. Maar familieleden beschouwen het helemaal niet als vanzelfsprekend.”

Locatiemanager Sylvia Oudenes zegt dat er in het begin wat weerstand was bij zowel verzorgenden als familie. Pas na veel kopjes koffie snapte iedereen de bedoeling. Toen gingen de meeste bewoners en families akkoord met de plannen. Nieuwe bewoners krijgen vanaf vorig jaar in het kennismakingsgesprek te horen dat mantelzorg erbij hoort in De Liezeborgh. Eigenlijk reageert iedereen er goed op, zegt Remmerswaal. „In de praktijk blijkt het in heel veel families al normaal dat de ouderen vier uur in de maand worden bezocht. Nu komt daar alleen bij dat je in die tijd een klein taakje doet in het huis. Veel mensen deden dat al, het is geen supergrote verandering geweest.”

Eén man besloot niet naar De Liezeborgh te verhuizen vanwege het mantelzorgproject. Zijn kinderen hadden moeite met de vier uur verplichte mantelzorg en zochten een ander verzorgingshuis voor hem. In feite had de man wel in De Liezeborgh mogen komen wonen, want wettelijk gezien kan het verzorgingshuis niet afdwingen dat familieleden een deel van de zorg op zich nemen. De werknemers van het huis hebben een zorgplicht voor de ouderen. Daarom noemt personeel het ook een „morele plicht” voor mantelzorgers om een steentje bij te dragen. De kinderen van de verhuisde man waren bang dat hij niet meer werd geaccepteerd als zij geen mantelzorg zouden leveren.

Het idee van verplichte mantelzorg past in het streven van het huidige kabinet om meer zorg te laten neerdalen op de schouders van familie en vrienden. Goed, het kabinet wil allereerst dat ouderen zo lang mogelijk thuis blijven wonen – met hulp van familie, vrienden, buren. Maar als ze dan naar een verzorgingshuis moeten, dan liefst ook met familie die een aandeel levert in de zorg. Het is het stokpaardje van staatssecretaris Martin van Rijn (PvdA). Informele zorg noemde Van Rijn eerder „onvervangbaar” en „onontbeerlijk voor de houdbaarheid van de langdurige zorg”. De nieuwe wet langdurige zorg, die Van Rijn bijna door de Tweede Kamer lijkt te hebben, is ook een bezuiniging. Deze week schreef het kabinet geschiedenis door voor het eerst de zorgkosten te laten dalen. De overheid geeft volgend jaar 8,9 miljard euro uit aan ouderenzorg.

In De Liezeborgh is het mantelzorgproject niet bedoeld als bezuinigingsmaatregel. Volgens Rutten worden beroepskrachten niet vervangen door mantelzorgers. Welzijn, zegt hij, is van oudsher een taak geweest van de familie en vrienden. Rutten: „Dat is ook zo als de ouderen nog thuis wonen. Het vanzelfsprekende dat wij alles doen zodra ouderen hier wonen, daar moeten we vanaf. Dat wil het kabinet ook.”

Remmerswaal verbaast zich er wel eens over hoeveel mensen van het verzorgingshuis verwachten. Een tijdje geleden belde hij een dochter over haar moeder, die de volgende dag naar het ziekenhuis moest. Hoe laat komt u haar ophalen, had Remmerswaal gevraagd. „Hoezo,” antwoordde de dochter, „dat doen jullie toch zeker? Ze woont toch bij jullie?” Remmerswaal: „Dat vind ik heel vreemd. Alsof je de zorg voor je ouders kunt laten vallen zodra ze in een verzorgingshuis wonen.”

De vrees van critici dat mantelzorgers door het nieuwe beleid overbelast zouden raken, is tot nu toe niet bewaarheid. Rutten: „Overbelasting treedt vaak op als de zorg niet wordt gedeeld. Wat dat betreft zijn de omstandigheden in een verzorgingshuis beter dan bij ouderen die thuis wonen en alléén maar afhankelijk zijn van hun mantelzorgers.”

Ruzie over ramen lappen

Het gaat niet zo goed met Nelly van Bekkum. Twee jaar geleden had ze zes keer longontsteking in een jaar. Ze lag in het ziekenhuis en brak haar pols. Toen besefte ze dat ze eigenlijk niet meer thuis kon wonen. Haar leven lang heeft ze in Stolwijk gewoond. Het is een klein dorpje op vier kilometer afstand van Haastrecht. Haar dochters en zoon wonen er ook. Een hechte familie, waar het normaal was om dagelijks koffie met elkaar te drinken. Meteen even aanbellen als er iets aan de hand was.

Mantelzorg, zegt dochter Elli van Kluyve, zit in het dna van de tuindersfamilie. Toen mevrouw Van Bekkum twee jaar geleden in Haastrecht kwam wonen was dat een beladen stap. „Ik dacht niet dat ik Stolk ooit zou kunnen missen”, vertelt Van Bekkum. Dat bleek mee te vallen. Tijdens een rondje op de scootmobiel door het dorp wordt Van Bekkum nu door iedereen begroet. Winkeliers komen naar buiten voor een vlugge zwaai. Van Kluyve: „Ze is hier populair, eigenlijk waren we verbaasd dat het zo goed gaat. Misschien omdat het ook een dorp is, net als Stolwijk.”

In het verzorgingshuis zelf moesten medewerkers ook wennen aan het idee dat de familie ging meehelpen in de zorg. Er was een zeker wantrouwen tussen medewerkers en familie.

Van Kluyve: „Als ik de ramen van mijn moeder ging zemen, werd ik vreemd aangekeken. Alsof ik daarmee kritiek leverde op het personeel. Dat vond ik raar, want ik wilde juist helpen. Dus deed ik dat altijd een beetje stiekem, met mijn teiltje sop.”

Verpleegkundige Remmerswaal moet lachen als hij het verhaal hoort. Hij herkent de klachten, en weet dat misschien juist het personeel wel moest wennen aan al die familie over de vloer. Rutten: „Ook de zorgmedewerkers waren gewend geraakt aan de oude cultuur.” Beter contact tussen bewoners, personeel en familie is de belangrijkste verworvenheid van de moreel verplichte mantelzorg, zegt iedereen die in het huis rondloopt. Kleine veranderingen zijn het, maar voor de ouderen zeer merkbaar. Boven, waar de ouderen met dementie wonen, kwam een dochter regelmatig op bezoek bij haar moeder. Dat doet ze nog steeds, maar nu blijft ze eten en kletst ze ook even met de andere bewoners. Of de zoon van een bewoner die in het dagelijks leven hovenier is. Hij bood spontaan aan om de stenen in de tuin eens mooi in het gareel te leggen. De nieuwe douchestoel van Nelly van Bekkum is vanochtend geïnstalleerd door haar schoonzoon, nadat hij vorige week was opgemeten en besteld door verpleegkundige Remmerswaal. Hij zegt: „Die samenwerking was eerder ondenkbaar. Nu gaat dat soepel.”

Verhoudingen in huis

Wat voor mantelzorgers nog weleens lastig kan zijn, is de onderlinge verhoudingen in het verzorgingshuis goed in te schatten. Zij kennen die minder goed dan het personeel, waardoor ze voor vervelende situaties kunnen komen te staan. Zo is er een mevrouw die volgens andere bewoners áltijd rosbief op brood neemt. In huis heerst daar irritatie over („het is hier geen hotel”), maar houd daar maar eens rekening mee als je als mantelzorger broodjes gaat smeren.

Ze zijn best bang geweest dat het personeel hun ineens allerlei opdrachten zou geven om taken uit te voeren, zeggen Nelly van Bekkum en haar dochter. Van Bekkum: „Het kwam ook bot over, hè, dat het ineens móést.” Elli van Kluyve: „Je ziet het al gebeuren dat mensen woedend worden. ‘Betaal ik daar dan voor, om zelf aan het werk te moeten!’”

Van Bekkum voelt zich „anders”, zegt ze in haar kamertje. Denk je, vraagt ze aan haar dochter, dat ze zo goed was verzorgd toen ze ziek was als ze niet zo’n goede band met het personeel hadden opgebouwd? „Hadden ze dan ook speciaal pap voor me gekookt toen ik m’n soep niet weg kreeg?”