Moderne Don Quichot is Marokkaan met sterke voorkeur voor herenseks

De Marokkaan in al zijn samengestelde archetypes is in de media een regelrechte Don Quichot. Maar wel een homoridder die zijn knecht berijdt; die bezoek prefereert van kelners en lakeien boven dat van kamermeisjes en jonkvrouwen, schrijft Mohammed Benzakour.

Illustratie Hajo

Bij ons thuis bestond de kwestie van de herenliefde niet. Er werd niet over gepraat en als over iets niet wordt gepraat, bestaat het simpelweg niet. Dat heet het wonder van taboe. De kwestie van de herenliefde bestond vooral in de buitenwereld; een boze, zonderlinge, grillige buitenwereld. Per saldo: een goddeloze buitenwereld.

De eerste keer dat ik in aanraking kwam met zoiets als sodomie was in het boek Turks Fruit van Jan Wolkers. Olga ligt poedelnaakt op haar buik op de vloer, terwijl de ik-figuur, erg lijkend op Jan, woest aan het beeldhouwen is. Op goed moment duwt Olga met de handen haar billen uit elkaar zodat haar ‘roze poeperd’ tevoorschijn komt en dan zegt ze tegen Jan: „Stop ‘m er hier maar in.” Dat laat Jan zich geen tweede keer zeggen en hij snelt naar de keuken waar hij zijn pik in de slaolie doopt. Na afloop moest-ie er wel voor zorgen dat-ie de stront tussen zijn voorhuid eraf waste, anders had-ie de volgende ochtend een opgezette top als het achterlicht van een fiets.

Dit stond allemaal letterlijk zo gedrukt op die onvergetelijke pagina’s van dat onvergetelijke boek Turks Fruit. Ik had tot dan toe nog nooit zoiets walgelijks gelezen. Maar wat vond ik het opwindend!

Later denk je, als Wolkers moslim (of jood) was geweest, dan had hij dus een besneden piemel gehad, zonder voorhuid, en dan had-ie zich totaal niet druk hoeven maken over opgezette toppen en fietsachterlichten. Dat is alvast één voordeel van het moslim zijn.

Later ontdekte ik het proza van Neerlands populairste burgerschrijver, Gerard Reve. Daar ging het er een stuk heftiger aan toe. De geile matrozen, de blonde kontjes, de liefdesperen, de woelratjes, het duizelde van dit soort schepsels. Maar natuurlijk, de weergaloze stijl, de hartstochtelijke bezetenheid van de auteur zoals die zich in zijn diepste naaktheid voor de lezer ontvouwde, de grootse thema’s als God en de Dood die schuil gingen achter wat men zo vaak en onterecht ‘schunnige taal’ noemde, dat is hoogstaande kunst zoals je die zelden in de Nederlandse literatuur tegenkomt, al helemaal vandaag de dag.

Na wat interviews en artikelen waarin ik mijn fascinatie en bewondering voor deze burgerschrijver niet onder stoelen of banken stak, kreeg ik van het Reve Genootschap de omineuze titel opgeplakt: ‘de enige Reviaan van Marokkaanse origine.’

Links en rechts werd al gefluisterd dat als een Marokkaan het proza van Reve weet te waarderen, de kans groot is dat deze Marokkaan van de herenliefde is. Wat een vreemde kijk is, want van – laten we zeggen – Theodor Holman en Diederik van Vleuten, twee grote bekende Reve-fans, werd zulks nooit beweerd.

Een paar jaar terug was ik uitgenodigd door de Tilburgse Universiteit om een lezing te geven op het symposium De 1001 gezichten van Marokko. De vraag was: wat heeft de Marokkaanse cultuur toegevoegd aan de Nederlandse samenleving. Men dacht kennelijk dat ik het antwoord had.

Ik dacht er lang over na en ik besloot de kwestie om te draaien: Voor welke soort Marokkaanse elementen heeft de Nederlandse samenleving belangstelling? Waar schenken onze media het meeste aandacht aan? Dit vraagstuk wilde ik concreet maken, personaliseren zelfs, en dus ging ik na wat voor type Marokkaan de meeste aandacht krijgt in de mainstream media. Het was een kwestie van een maand lang turven en aanvinken en optellen en bijhouden welke Marokkaanse namen het vaakst en het luidruchtigst op tv, radio, krant en internet prijkten. Na een simpele optelsom kwam ik uit op een zestal Marokkanen, drie A’s en drie B’s : Samir A., Ahmed A., Najib A., en Mohammed B., Abdelkader B., en Ali B. Later kwam daar nog een vierde A bij en nog een vierde B bij: Ibrahim Affelay en Hafid Bouazza. Als je van deze zes of acht Marokkaanse Nederlanders de meest in ‘t oog springende karaktereigenschappen op een rij zet, kwam ik qua inborst en persoonlijkheid uit op het volgende profiel:

1. Opofferingsgezindheid, al dan niet in combinatie met een nietsontziende liefde en hartstocht voor een hoger ideaal: dat kan een god of een ideologie zijn;

2. Bloemrijke overdaad in de taal;

3. Een hang naar oud, archaïsch taalgebruik in woord en schrift;

4. Bereidheid tot fysieke uitputting en doorzettingsvermogen voor een topprestatie;

5. Sturm und Drang-neiging en ongebreidelde (romantische) zucht naar avontuur;

6. Totaal gebrek aan bescheidenheid en narcistische zelfoverschatting;

7. Humor en geestigheid;

8. Onuitputtelijke bron van enthousiasme, vrolijkheid en animo, ondanks pech en tegenslagen.

Vervolgens deed ik een culinair experimentje. Ik goot deze karakters in een cocktailbus, husselde het zaakje door elkaar, schonk de inhoud in een gekoeld glas en voor mijn geestesoog voltrokken zich de contouren van een der beroemdste romanpersonages uit de wereldliteratuur: Don Quichot. Jawel, het sprekende profiel van de Droeve Ridder uit het Iberische schiereiland van de zeventiende eeuw.

De Marokkaan, in al zijn samengestelde archetypes, is in onze media een regelrechte Don Quichot. Geliefd om zijn humor en poëzie, bemind om zijn even sportieve als ridderlijke moed en elegantie, vertederend om zijn schielijke zelfoverschatting. Maar: verguisd om zijn brutale, potsierlijke en al te avontuurlijke schelmenstreken en zelfs gevreesd om zijn hachelijke ideologie en mensbeschouwing.

Ja, deze Marokkaanse DQ, die ook moslim bleek te zijn, of tenminste islamitische sympathieën koesterde, bleek een ingewikkeld doch spectaculaire casus. Heerlijke vuller van de krantenkolommen, spannend item voor de nieuwsrubrieken in een klein landje waar eerlijk gezegd niet zo vaak bijzonder groot nieuws is – tot er natuurlijk een vliegtuig neerstort of een poema op de Veluwe wordt ontdekt. Deze Marokkaanse DQ was en is voor de media een partycocktail – maar wel een partycocktail met een bittere bijsmaak. Want hoe verhoudt zijn primitieve (‘achterlijke’) godsdienst zich eigenlijke met de moderne waarden van onze liberale rechtsstaat?

Dus werd de Maroc DQ onderworpen aan een pittig examen en veel van de toetsen draaiden om twee thema’s: Vrouw & Homo; de fonkelnieuwe, heilige twee-eenheid.

Wat vindt de MDQ van de positie van de vrouw in de Koran, wat is haar erfrecht, is hij voor of tegen vrouwenbesnijdenis, vond de profeet niet ook dat vrouwen altijd gesluierd moesten gaan en vijf meter achter de man aan moesten lopen, en wat vindt de MDQ van de homoseksueel? Is hij soms voorstander van potenrammen, vindt hij niet dat homo’s ook het recht hebben om te trouwen of ziet hij het huwelijkse instituut voorbehouden aan de normale heteroseksueel?

De MDQ moest zich verantwoorden, zich in duizend bochten wringen om het kromme enigszins als recht te presenteren. En hij zei dingen als: ja kijk, de mannen die vieze dingen met elkaar doen, dat is natuurlijk niet zoals God het had bedoeld, stelt u zich toch eens voor dat als alle mannen met alle andere mannen gingen flikflooien, ja, dan is het toch afgelopen met de mensheid, nietwaar, en dat ene door God gemaakte achterdeurtje is toch heus niet bedoeld als ingang, want anders was het geen achterdeurtje meer, maar een voordeurtje.

De kwestie moslim en homo werd iets buitengewoons, iets spannends, een mix van suspects en suspense. We werden achterdochtig, angstig zelfs. Gingen die rare baardmannen ons nou terugwerpen naar die benauwde jaren vijftig! Intussen gebeurde iets frappants. Steeds luider klonk de roep om Marokkanen die openlijk de islam afvielen en tegelijk ook de roep om Marokkanen die openlijk zeiden: ik ben homo.

We wisten zeker dat er veel Homo-Marokkanen (ik noem ze hier HoMa’s) rondliepen, maar in ‘t land van herkomst zijn er veel meer, daar struikel je over ze. Je ziet ze op stranden, in de bars, in de hamams, overal zie je islamitische mannenintimiteit – ze kussen elkaar bij wijze van groet en als ze wandelen houden ze elkaars pinkje vast. Nu ja, de combinatie van homoseksuele neigingen en vroomheid is natuurlijk nooit het exclusieve domein geweest van de katholieke kerk. Achter de sluiers van de islam blijkt Noord-Afrika een paradijs voor de herenliefde, een walhalla van mannelijke lijfelijkheid. Wie de juiste connecties heeft, kan in vrijwel in elke stad in de Maghreb en het Midden-Oosten zijn eigen gayscene ontdekken.

Reeds honderden jaren lang kwamen reizigers en schrijvers uit de Oriënt terug met sappige verhalen over sodomie en pederastie. Velen van hen gaven zich daar toegewijd aan over, denk aan de dagboeken van Flaubert, Proust, Mann, Goethe.

Ook ons land kent zulke schrijvers. Uit het geheime dagboek van Hans Warren blijkt zijn affectie voor een ‘beeldschone’ Marokkaanse jongen, die als krijgsgevangene van de Duitsers in een kamp in het Zeeuwse Borssele zat. Jan Hanlo beschrijft deze dwangarbeiders als jongens met een ‘profiel als een woestijngazelle’. In zijn boek Go to the Mosk lezen we hoe Hanlo gedurende zijn reis door Marokko gefascineerd raakte door een twaalfjarige Mohamed; een straatschoffie dat hem wijsmaakt dat-ie wees is en die zijn dagen doorbrengt met het ‘fak-fak’ doen met mannen.

Tussen haakjes: de aantrekking was niet altijd louter eenzijdig: met zijn blonde kop en knalblauwe ogen gold de witte homoman in Noord-Afrika als een soort Germaanse godenzoon.

Nu, zoals gezegd, je kon merken dat in Nederland de roep om Marokkaanse homo’s steeds luider klonk. Want misschien dat dit schepsel als geen ander in staat is om een stukje maatschappelijke wrijving en onbehagen weg te poetsen. Misschien zijn zij het beste antidotum tegen de opkomst van vreemde, radicale, moderniteitvijandige elementen.

De Moslim Marokkaan moest daarom maar eens uit de kast komen en als hij niet uit de kast kan of durft te komen, dan trekken we ‘m er toch gewoon uit.

En jawel, langzaam maar zeker werd tegemoet getreden aan die roep, aan die behoefte, aan die hartelijke uitnodiging. Want ineens verscheen steeds vaker de HoMa op tv en in magazines, paginagrote interviews. Ze manifesteerden zich plotseling in alle segmenten van de maatschappij. Het verbaasde ook niemand meer dat op de Canal Pride een Marokkaanse boot mee voer – zodat intussen de ‘mo’ van ho-mo nog nadrukkelijker als roepnaam van Mohammed geldt.

En zo kregen we langzaam maar zeker een verbeterde versie van Don Quichot: een manmoedige ridder met een voorkeur voor andere ridders. Een DQ die het doet met zijn schildknaapje Sancho Panza; een DQ die in de slaapvertrekken van herbergen en kastelen het bezoek prefereert van kelners, lakeien en dienstknechten boven dat van kamermeisjes en jonkvrouwen.

Maar toch: er miste nog één element aan deze DQ nieuwe stijl: hij bezat geen paard. Een ridder zonder paard is als een vrouw zonder borsten. Het is niet af, het is niet mooi, niet compleet. We gingen op zoek naar het paard van DQ en op een dag, jawel, op een dag vonden we hem. Het paard heet Floresco en de ruiter heet Yessin Rahmouni. Yessin kwam als een geschenk uit de hemel. Een Marokkaanse dressuur met een droomverhaal, een koninklijk sprookje. Stomtoevallig ontmoette Yessin de Marokkaanse koning op het strand tijdens een vakantie. Zijn jetski passeerde de jetski van de jonge koning en daar op het blauwe water bloeide een prille liefde. Yessin werd niet alleen de eerste Afrikaanse dressuurruiter die zich kwalificeerde voor de Olympische Spelen. Yessin mocht aan tafel bij P&W vertellen dat hij de eerste Marokkaan was die een paard cadeau kreeg van de koning van Marokko.

De figuur van DQ was nu compleet: Een ultiem rolmodel. Een zwierige ridder en redder. Een redder in nood. Een engel.

Na alle Olympische successen en alle triomfen op zijn rivalen en tegenstanders heeft deze zwierige ridder nog één duel te gaan: dat is met God zelf, of liever gezegd met de zogenaamde vertegenwoordigers van God. De zwierige ridder zal moeten duelleren met de geestelijke elite die vasthoudt aan dogma’s uit heilige geschriften: de imams. Misschien zijn het maar windmolens, onbestaande demonen, die zich groter, machtiger en gezagvoller voordoen dan ze in werkelijkheid zijn – maar dat zal moeten blijken.