Miljardair vs. man met enkelband

Julian Assange is vaak weggezet als paranoïde of te activistisch, maar in zijn deze week verschenen When Google Met WikiLeaks onderbouwt hij zijn aanklacht tegen Google nauwkeurig.

Sta hier even bij stil: elke dag projecteert Google zijn fleurige logo zes miljard keer op ons netvlies. Niet eerder in de geschiedenis had een entiteit de mogelijkheid zoveel mensen in één keer te bereiken. Of te beïnvloeden. Nou is Google niet zomaar een bedrijf. Zelfs niet zomaar een machtig technologiebedrijf. When Google Met WikiLeaks van journalist, activist en oprichter van WikiLeaks Julian Assange is een aanklacht tegen het ‘immer-vriendelijke’ bedrijf’ dat ‘groot’ en ‘slecht’ is geworden. Volgens Assange gaan het imperialisme van Google en de Amerikaanse overheid hand in hand in een tijdperk waarbij technologische overheersing, misschien wel meer dan militaire overheersing, macht betekent.

Typerend detail: Google spendeerde in 2012 meer lobbygeld (bijna 20 miljoen dollar) in Washington dan defensieconcern Lockheed Martin.

De aanklacht van Assange tegen Google heeft een voorgeschiedenis. Het begint met een Hollywoodiaanse ontmoeting. De voorman van WikiLeaks is in 2011 onder huisarrest geplaatst en verblijft in een Brits landhuis als Eric Schmidt, de baas van Google, hem wil komen opzoeken.

Assange heeft hoge verwachtingen van hun samenzijn: Google fascineert hem, schrijft hij. De miljardair Schmidt en de journalist met enkelband treffen elkaar in een roerige tijd. In de Arabische wereld zijn revoluties uitgebroken, mede door publicaties van WikiLeaks. De gelekte, Amerikaanse diplomatieke berichten over de decadentie van het Tunesische regime van Ben Ali, wakkeren publieke verontwaardiging en revolutie in het land aan. Het leidt tot het einde van het Ben Ali-regime. Er volgen meer revoluties in andere landen. Tot in Griekenland en Spanje is het onrustig. In Nederland verschijnen marginale tentenkampen in enkele steden.

WikiLeaks zelf komt onder hoge druk te staan. In een paar maanden tijd publiceert de organisatie 250.000 diplomatieke berichten. Websites van WikiLeaks worden aangevallen en verdwijnen, bankrekeningen geblokkeerd en Assange slaat op de vlucht totdat hij in Engeland vastloopt. ‘We waren in oorlog.’

Argwaan

En dan komt Google. Voor een boek over het digitale tijdperk wil ceo Schmidt met enkele collega’s graag Assange interviewen, zo luidt het officiële verzoek. Uren brengen ze met elkaar door en praten ze over hun wereldvisie, de toekomst van internet en maatschappelijke tendensen. Hoewel begripvol en beleefd, komen ze nauwelijks nader tot elkaar. Assange beschouwt het als een van de beste interviews die hij ooit gaf. ‘Ik was uit mijn comfort zone en ik genoot ervan.’

In When Google Met WikiLeaks is het gesprek uitgewerkt. Online is de audio te beluisteren. Door de vele en uitgebreide voetnoten is de soms technische conversatie ook voor leken goed te volgen. Het transcript is een essentieel stuk voor wie de grote vragen van deze tijd wil begrijpen.

Pas als Schmidt met zijn gevolg is vertrokken, krijgt Assange argwaan. In de inleiding schrijft hij: ‘Toen begon ik me te realiseren wie me werkelijk had bezocht.’

Het is het startpunt van een zoektocht naar de hogere machten van Google. Zo schuift ene Jared Cohen bij het interview met Assange aan. Hij is de directeur van Google Ideas. Cohen stapte in 2010 van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken over naar het technologiebedrijf. Toen hij nog voor de Amerikaanse regering werkte, verzocht hij de baas van Twitter om noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden vlak voor de verkiezingen in Iran uit te stellen. Dat zou revolutionaire oprispingen benadelen. ‘Publieke diplomatie’ stond er onder meer op zijn visitekaartje.

Deze Cohen schrijft, nadat hij bij Google is begonnen, met Schmidt een opinieartikel in Foreign Affairs. Zij prijzen daarin de revolutionaire kracht van Silicon Valley als instrument voor het Amerikaanse buitenlandbeleid. ‘Democratische staten die militaire coalities aangingen, kunnen hetzelfde doen met technologie.’ Het is de overtuiging van Google dat verlichte, liberale multinationals en de Amerikaanse overheid eenzelfde missie hebben: de wereld op een goede manier hervormen. Dit alles gelardeerd met de Googleslogan Don’t be evil. De voorspelling van Schmidt en Cohen: wat Lockheed Martin was voor de 20ste eeuw, zullen technologiebedrijven zijn voor de 21ste.

Deze Cohen duikt precies op die plekken in de wereld op waar andersdenkenden zich roeren. Waar onrust is. Hij bezoekt landen als Azerbeidzjan, Iran, Egypte. ‘Met gemak zou je hem directeur regimeverandering kunnen noemen,’ schrijft Assange. In gelekte e-mails worden de heimelijke activiteiten van Cohen en Google beschreven in landen waar de Amerikaanse regering moeilijk grip op krijgt. Een directeur van een privaat inlichtingenbedrijf concludeert: ‘Google heeft de steun van het Witte Huis en Buitenlandse Zaken en krijgt zelfs luchtsteun. Ze doen dingen die de CIA niet kan doen.’

In 2008 helpt Google bij het lanceren van een spionagesatelliet. Het bedrijf deelt de beelden van de satelliet met de Amerikaanse defensie- en inlichtingengemeenschap. Google krijgt in het geheim geld van de NSA voor toegang tot miljarden persoonlijke data via het PRISM-programma.

Het kwartje valt bij Assange als WikiLeaks officieel de Amerikaanse regering verwittigt over een ophanden zijnde publicatie van diplomatieke berichten. Een half uur later ontvangt hij een e-mail van Lisa Shields (werkzaam bij een denktank voor Buitenlandse Zaken), die door de baas van Google Eric Schmidt werd meegenomen naar het interview met Assange. ‘Op dat moment realiseerde ik me dat Schmidt niet alleen namens Google was gekomen.’

Boete

Velen hebben Assange al weggezet als paranoïde of te activistisch, maar in When Google Met WikiLeaks onderbouwt hij zijn aanklacht tegen Google nauwkeurig. Op elke bewering volgt een voetnoot, een verwijzing naar de bron. Het is geen uitgebreid epistel, in omvang meer een stevig pamflet. Zijn sterkste kant is zijn overtuigingskracht, zijn originele en soms extreme denkwijze, die prikkelend werkt, maar ook ongemakkelijk maakt. Want in zijn betogen houdt hij velen een spiegel voor. Ook journalisten. Die hij gemakzuchtig vindt, te veel economisch gedreven en te weinig feitelijk.

Hij stelt ongerieflijke vragen. Was de genocide in Rwanda in 1994 gebeurd als mensen daar dezelfde technologie hadden gehad als de mensen nu? Maakt eroderende privacy in het Westen niet de weg vrij voor autoritaire regimes? Waarom wordt altruïsme niet beloond in het kapitalisme? Hoe kan het dat sinds eind jaren zeventig het gemiddelde inkomen in de Verenigde Staten nauwelijks toeneemt, maar het verschil tussen een ‘gewoon’ inkomen en de hogere inkomens exceptioneel groeit?

Hij verrast met zijn ideeën. Zo noemt hij censuur reden voor blijdschap, want kennelijk is de machtspositie van een censurerende regering zo zwak dat ze zich zorgen moet maken over wat mensen denken. Dat maakt de weg vrij voor verandering.

De makke van Assange is dat zijn overtuiging soms essentiële nuanceringen in de weg staat. Hij vindt dat alle technologiebedrijven in Silicon Valley aan de leiband van de Amerikaanse overheid lopen. Zo ziet hij over het hoofd dat Yahoo op alle mogelijke manier bezwaar aantekent tegen de gedwongen overdracht van persoonlijke data aan inlichtingendiensten. Maar wat kan dat bedrijf als de Amerikaanse overheid dreigt met een boete die, zoals de Washington Post schreef, op kan lopen tot meer dan de totale waarde van de Amerikaanse economie?

Het boek van Schmidt en Cohen, de aanleiding voor het gesprek met WikiLeaks, verscheen in het voorjaar van 2013 (The New Digital Age). Meer transparantie voor een vrijere, rechtvaardiger wereld is een gevaarlijk model, waarschuwen de beleidsmakers van Google. Klokkenluiders hebben daarom ‘supervisie’ nodig en het lekken van informatie kan enkel gaan via een ‘centraal orgaan dat informatie vrijgeeft’. Dat orgaan is gekoppeld aan de staat.

Het antwoord van Assange: ‘Als de toekomst van internet Google is, moet dat voor mensen over de hele wereld reden tot zorg zijn.’