Column

Onze minister van Financiën – zijn we dol op

Ik ga hier zomaar iets heel raars opschrijven: ik ben dol op Jeroen Dijsselbloem. Dol. ’s Ochtends verzorgt hij in Wageningen zijn varkens (die hij opeet als de tijd rijp is), ’s middags ontmantelt hij politieke bommetjes in Den Haag, ’s avonds vertelt hij in Brussel aan Europese politici dat ze niet zo bang moeten zijn voor de financiële markten, en in het weekend zaait hij ter ontspanning worteltjes in zijn moestuin.

Voordat je met je geliefde nrc.next van je stoel valt: ik maak natuurlijk grapjes. Mijn professionele oordeel over Dijsselbloem is gemengd, hetzelfde geldt voor elke minister van Financiën die ik als volwassene heb mogen aanschouwen. Dijsselbloem was zeer sterk bij de redding van Cyprus, toen hij geldschieters van banken meldde dat ook zij voortaan moeten meebetalen als een bank door een Europese overheid gered wordt. Hij bracht daarmee eindelijk het risicobesef terug op de financiële markten. Hulde. Minder enthousiast ben ik over de creatieve wijze waarop Dijsselbloem in 2013 nieuwe (bezuinigings)miljarden bij elkaar knutselde.

Toch durf ik te wedden dat velen denken: goeie vent, die Dijss. Hij is de op één na populairste minister van dit kabinet (na Frans Timmermans), dus je bent niet de enige. Dat komt vast ook door de man zelf, maar vooral doordat wij Nederlanders blind als bakvissen worden wanneer het gaat om onze minister van Financiën.

De man (een vrouw zou overigens een keer leuk zijn) die onze belastingcenten bewaakt – we zijn er dol op. Zoals een topambtenaar ooit in de Volkskrant zei: je moet je best doen als minister van Financiën níét populair te zijn. De flipperende VVD’er Gerrit Zalm die twaalf jaar de schatkist bewaakte, de PvdA’ers Wim Kok, Wim Duisenberg en Wouter Bos (door Elsevier verkozen tot Nederlander van het jaar voor zijn rol tijdens de crisis), de CDA’er Jan Kees de Jager – allemaal geliefd. En zonder uitzondering genieten ze van die positie als nationaal aanbeden zuinigerd, of ze die titel nou in de praktijk waarmaken of niet (vaak niet).

De ministers doen graag mee aan de mythevorming rondom hun ambt. Duisenberg noemde de post bijvoorbeeld makkelijk: „Je hoeft maar één ding goed te kunnen en dat is ‘nee’ zeggen. De enige keer dat je ‘ja’ mag antwoorden, is op de vraag: ‘Zei je echt nee?’” (Bron: Historisch Nieuwsblad.)

Wat zegt deze voorliefde over ons? Dat we anders zijn dan de Fransen. Soms hoor je nog wel eens een columnist verzuchten waar de visie van Nederlandse politici toch blijft, het gaat alleen maar om centen en procenten. Maar ik vermoed dat de gemiddelde Nederlander denkt: leuk hoor, visie, maar wat kost dat?

Je zag die politieke cultuur deze week bij de algemene beschouwingen. Als Emile Roemer van de SP kritiek heeft op het kabinet wordt hem direct gevraagd waar zijn tegenbegroting is. Hoe wil hij die alternatieve plannetjes bekostigen? Waar is de dekking? Het is een absurde gewoonte in ons parlement. Mag Roemer het kabinetsbeleid niet bekritiseren zonder meteen de hele begroting door te akkeren?

Je ziet het ook bij verkiezingen: er is geen land waar politici zich vrijwillig in het financiële keurslijf van het Centraal Planbureau laten persen. Ja, ja, ja, mooi allemaal, maar kunnen we uw plannen even doorrekenen?

Hoe zien we onze minFin het liefst? Probleemoplossend. De Jager wandelde in 2012 in een paar dagen het cruciale Lenteakkoord bij elkaar. Zo gedraagt onze ideale schatkistbewaarder zich: handen uit de mouwen en ervoor zorgen dat politieke kemphanen het eens worden. Apolitiek dus. Best ontmoedigend voor al die andere politici in Den Haag.