Column

Gewoon de zoveelste huppelkut

Betondorp, de Amsterdamse wijk waar ik nog niet zo lang woonde, bestond negentig jaar. De gemiddelde leeftijd lag er niet gek ver onder. Van gemeentewege waren de belangrijkste straten met geelrode vlaggetjes versierd, maar er was niemand die zich daardoor liet ontregelen.

Op het terras van café De Avonden streek een groep oudere vrouwen neer, ze kwamen terug van de wekelijkse gymles.

Er hing opwinding in de lucht.

Er was een nieuwe lerares, al twee weken, eentje die ze met haar jeugdigheid tegen de haren in streek. Een meisje zonder besef hoe het was om oud en stram te zijn.

„Gewoon de zoveelste huppelkut”, trapte een vrouw met lichtblauw haar af.

„Tegen mij zei ze ‘strekken’”, zei een van de dames, die het grijze kapsel in een staartje had gepropt, waardoor ze wat jeugdigs kreeg. Tijdens het bewegen op muziek met ring en knots had ze haar onverwachts van achteren om het middel gepakt.

„Ja lieverd”, had ze gezegd, „dan kun je wel aan me gaan sjorren en trekken, maar dit lichaam laat zich echt niet dwingen.”

„Het is een kreng”, zei een ander. „Toen ik in de kleedkamer zat zei ze ‘U ziet er moe uit’. Dat is toch geen begroeting? En vorige week zei ze: ‘Wat ziet u bleek, gaat het nog?’”

Het werd door de hele groep als de ultieme belediging ervaren.

„Je moet zeggen: ‘Ja, ik heb een ziekte.’”

„Gewoon zeggen dat je kanker hebt, dan piept ze wel anders.”

„Of dat je zwanger bent.”

Om dat grapje werd hard gelachen.

In de verte naderde een fietser.

„Daar heb je d’r.”

Het kreng, een vrolijke meid van een jaar of 25, naderde stralend op een zwarte damesfiets, de sporttas aan het stuur. Zich van niets bewust stopte ze even bij het terras.

„Nou hopelijk heb ik jullie niet te moe gemaakt. Voor volgende week ga ik weer wat leuks bedenken.”

Ze sprong weer op haar fiets en keek al zwaaiend nog twee keer over haar schouder.

Niemand zwaaide terug, maar er viel wel een stilte, alsof het besef indaalde dat tegen zoveel vrolijkheid niet op te roddelen viel.

„Hoe is het met jouw man?”

„Nog steeds moe, veel plezier heb je er niet van.”