Licht vanuit de duisternis

Van het zoekende begin tot aan het dramatische einde: de Mark Rothko-tentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum biedt de toeschouwers een unieke kans om een groot aantal van Rothko’s aangrijpende werken bij elkaar te zien.

Untitled, 1970. Acrylverf op doek, 152 x 145 cm. Dit is het allerlaatste doek dat Mark Rothko schilderde voor hij zelfmoord pleegde.

Het is een schitterend slotakkoord van een tentoonstelling die toch al meerdere aangrijpende momenten herbergt. In de laatste zaal van de grote Mark Rothko-tentoonstelling in het Gemeentemuseum Den Haag, gisteravond geopend door Rothko’s zoon Christopher, hangt Mondriaans Victory Boogie Woogie naast het allerlaatste doek dat Mark Rothko (1903-1970) ooit schilderde. De twee meesterwerken van de abstracte kunst vormen samen een opzienbarende, dubbele zwanenzang. Mondriaan overleed in 1944 aan een longontsteking voor hij zijn vrolijk dansende compositie kon voltooien. Rothko pleegde kort na het schilderen van het vuurrode Untitled (1970) zelfmoord.

Natuurlijk speelt die wetenschap mee wanneer je voor Rothko’s laatste werk staat. Zo luchtig als de Boogie Woogie is, zo zwaar is Untitled. Het doek is geschilderd in een veel dieper rood dan het felle brandweerautorood dat Mondriaan gebruikte. Hoewel er net iets boven het midden een streepje licht door de acrylverf schijnt, doet het intense rood vooral denken aan bloed. Daarmee is het werk een voorbode van de gebeurtenissen op 25 februari 1970, toen Rothko in zijn atelier zijn polsen doorsneed.

Hoewel Mondriaan vanaf 1940 net als Rothko in New York woonde, kenden de schilders elkaar niet. Rothko beweerde, in een interview uit 1952, nooit belangstelling te hebben gehad voor Mondriaan. „Ik ben geen formalist”, zei hij. „Mondriaan verdeelt een doek; ik zet er dingen op.” Toch bestaan er wel degelijk overeenkomsten in hun ontwikkeling van figuratie naar abstractie, zo maakt deze tentoonstelling duidelijk. Net als Mondriaan begon Rothko zijn carrière met het schilderen naar de werkelijkheid. In het geval van Rothko waren dat, in de jaren dertig, nogal onbeholpen figuurstudies en ietwat stijve bloemstillevens. En net als Mondriaan vond Rothko zijn kenmerkende, wereldberoemde eigen stijl pas toen hij de figuratie helemaal overboord gooide.

In Den Haag ligt de nadruk op de stapsgewijze ontwikkeling die Rothko als schilder doormaakte. Te zien zijn vijftig schilderijen en tien werken op papier, grotendeels afkomstig uit de nalatenschap van de kunstenaar, die wordt beheerd door de National Gallery of Art in Washington. Er is veel onbekend vroeg werk, waaruit blijkt dat Rothko lang door de kunstgeschiedenis zwabberde. Op Underground Fantasy uit 1940 schildert hij nog maniëristische figuren, graatmager als de sculpturen van Giacometti. Een jaar later maakt hij het doek Antigone, waarop hij Man Ray-achtige blote damesbillen combineert met hoekige Picasso-neuzen. Rothko was in die tijd erg onder de indruk van het werk van de surrealisten en keek de stijl af van schilders als Giorgio de Chirico en Roberto Matta. Hij las Freud en Jung en verdiepte zich in hun ideeën over het onderbewuste. De langgerekte metropassagiers op Underground Fantasy waren in Rothko’s ogen natuurlijk spookfiguren in een ondergrondse droomwereld.

Verfstreken lossen op

Maar dan, vanaf 1946, stapt hij opeens af van zijn surrealistische voorbeelden. De contouren van zijn verfstreken vervagen en de vormen lossen op in waterige kleurvlakken. Het is alsof Rothko de lens waardoor hij naar de wereld kijkt op onscherp heeft gezet. Je vermoedt nog wel bestaande landschappen of stillevens, maar je kunt er niet meer op focussen. Ik moest denken aan de waterlelies die Monet in de laatste fase van zijn leven schilderde, toen zijn ogen achteruitgingen. Ook bij Rothko’s schilderijen uit de late jaren veertig loop je als een bijziende zonder bril door het museum.

Rond 1950 vindt Rothko zijn balans. Dan verdwijnt de chaos uit zijn composities, en stapelt hij zijn kleurvlakken op elkaar – als tulpenvelden die zich naar de horizon strekken. Aanvankelijk zijn die kleurvelden nog licht en zomers, maar vanaf de jaren zestig wordt de toon van zijn schilderijen somberder. Het diep melancholische werk Untitled (Umber, Blue, Umber, Brown) uit 1962, een bruikleen van het Stedelijk Museum Amsterdam, bestaat uit een donkerblauw kleurvlak tegen een kastanjebruine achtergrond. Het is een schilderij waaraan je ogen – als in schemerdonker – langzaam moeten wennen en dat dan steeds meer gaat broeien. Het lijkt terwijl je ernaar kijkt steeds van kleur te verschieten. Alsof er vanuit die duisternis toch nog een sprankje licht komt.

Emotionele route

Er zullen bezoekers zijn die speciaal voor deze karakteristieke Rothko’s naar Den Haag zijn gekomen. Aan die behoefte heeft het museum op originele wijze voorzien. Bij aanvang van de tentoonstelling kun je namelijk kiezen uit twee routes: de weg van de emotie of de weg van het begrip. Loop je rechtdoor, dan volg je de schoksgewijze weg naar de abstractie die Rothko doorliep, tot aan dat ijzingwekkende bloedrode slotstuk. Sla je linksaf, dan beland je direct bij de meest intense doeken uit zijn oeuvre. Zoals het duistere No.7 uit 1964, waar een zwart vierkant gevangen is in een uiterst donkerpaars kader – de kleur van rouw, van dood. Het is een van die momenten die de toeschouwer kippenvel bezorgt: een kunstwerk zo somber en zo prachtig tegelijk.

De emotionele route leidt ook langs de kabinetten van Berlage’s gebouw, waar Rothko’s mooiste werken een eigen ruimte hebben gekregen, waardoor de beschouwer een directe relatie met het kunstwerk kan aangaan – precies zoals de kunstenaar het zou hebben gewild. In 1959 maakte Rothko een reis door Italië en bezocht in Florence het klooster van San Marco. Hij was diep onder de indruk van de fresco’s van Fra Angelico in de monnikscellen: schilderingen speciaal gemaakt voor één persoon. Dat wilde hij ook. Hij bewerkstelligde dat bijvoorbeeld in zijn Rothko Chapel in Houston.

Natuurlijk, er is iets af te dingen op de hinderlijke koorden die in Den Haag voor veel werken gespannen zijn – een eis van de bruikleengever. En bij een enkel schilderij zorgt spiegelend glas voor een irritante barrière tussen het doek en de kijker – iets wat de controlfreak Rothko zelf enorm gestoord zou hebben. Het zijn kleine smetjes op een tentoonstelling die met grote zorg is samengesteld. De mooie daglichtzalen van het Gemeentemuseum doen de werken veel goed. Conservator Franz Kaiser heeft goed gekeken naar de manier waarop Rothko zijn werk ophing: laag bij de grond, zodat de toeschouwer als het ware in de doeken kan stappen. De hele tentoonstelling hangt daarom vijftien centimeter lager dan gebruikelijk.

Bovenal is dit een unieke kans om zoveel van Rothko’s peperdure werken bij elkaar te zien. In Nederland hebben we er slechts twee, in Museum Boijmans Van Beuningen en het Stedelijk. Catalogi doen zijn schilderijen geen recht. De ontroering bevangt je alleen als je er met je neus bovenop staat en je laat overweldigen door de kleuren, de vormen, de sfeer.