Ik spuug niet op uitleg van kunst

Joyce Roodnat

Over Yo-Yo Ma, Silk Road Ensemble, Lotte Geeven, Zonnestraal, Het Nationale Ballet

Yo-Yo Ma, ja, die ken ik. Als vertolker van Bachs Suite voor cello nummer 1. Van zijn zwoele solo’s voor de karatefilm Crouching Tiger, Hidden Dragon. Als de man die zijn eeuwenoude cello in de taxi vergat. En ’m gewoon weer terugkreeg. Briljant en nog menselijk ook, dat is Yo-Yo Ma.

Maar wat wéét ik van ’m? Weinig. Dat ik een kaartje koop voor zijn concert komt doordat ik wel eens een erkend genie in het echt wil zien spelen. Yo-Yo Ma komt op, kleine man, grote cello. Hij speelt inderdaad fabelachtig. En om hem heen speelt, ook fabelachtig, het Silk Road Ensemble, zijn orkest van westerse en niet-westerse musici. Ma staat op, introduceert ze, noemt het orkest „de Oriënt Express op hol”. En weer gaan ze los, de helft op instrumenten die ik hooguit ken van oriëntalistische schilderijen en Chinese films. In de muziekstukken herken ik niets, maar alles klinkt naar wild dansen. Nu stapt Cristina Pato naar voren. Haar haren gloeien groen en ze speelt doedelzak. Wat tot mijn bevooroordeelde verbazing een sexy instrument blijkt te zijn. En Yo-Yo Ma? Die plukt aan zijn snaren en glimt van genoegen.

Het zal onnozel van mij zijn om dit ensemble niet te kennen, het bestaat al vijftien jaar. Maar naderhand vind ik van alles over musici, hun instrumenten en de componisten, en geniet ik weer, via mijn herinneringen.

Kunst zou voor zichzelf moeten spreken en vaak doet het dat ook. Maar ik spuug niet op uitleg of het verhaal erachter. Eigenlijk wordt het daar altijd beter van.

Hola! Mag niet. Een kunstwerk moet voor zichzelf spreken – volgens het dogma in een venijnige discussie over moderne kunst, in de Volkskrant. Duidelijkheid is geboden, heet het, anders is kunst aanstellerij. Of, nog erger, geheimtaal van ingewijden.

Bij mij wil die stelligheid er niet in. Wie zich zo nors afkeert van wat hij niet snapt, maakt nooit meer iets nieuws mee. En wie wil dat nou?

In een verlaten vleugel van het voormalig sanatorium Zonnestraal in Hilversum van architect Duiker streek de zwervende galerie Suns and Stars neer, met The Daylight Show. 24 kunstenaars maakten er een ‘site specific’ installatie. Merijn Bolink. Paul de Reus. Bonno van Doorn.

Maar waar is ‘Haze’, het nieuwe werk van Lotte Geeven? Ik volg haar sinds haar werk ‘Sovereign’: een glanzend zwarte Jaguar rondtollend op zijn dak, zijn wielen hulpeloos in de lucht.

De galeriehoudster wijst naar de vloeren van de gangen. „Het zit nog in de hoeken. En in dat gangetje achterin.” Ik zie poederig zand, maar het is diamantstof. Geeven verspreidde een dun laagje en het meeste is al verdwenen. De wijde wereld in via de schoenen van de bezoekers van de expositie.

Ik bel haar op. Wat is dit? Ze zegt: „Dat is het mooie, je ziet bijna niks. Eigenlijk is dit werk alleen het gerucht.” En ze vertelt dat Zonnestraal aanvankelijk een kuuroord voor diamantslijpers was. Hun handen maakten iets uiterst waardevols, hun longen werden aangetast door het harde diamantstof. Dat verhaal werd het uitgangspunt voor haar werk voor Zonnestraal. De Amsterdamse diamantfabriek Gassan sponsorde haar met „een zware A4-enveloppe” vol diamantstof, „meer dan genoeg”. Ze bespoot de vloeren met lijm en blies het diamantstof erover met een blazertje. „Een vernevelde blik op de geschiedenis van deze plek”, zegt ze. ‘Haze’.

En nu is je werk bijna weg, zeg ik. Nee, zegt Geeven: „Deze kunst verspreidt zich door Nederland. Onder de schoenen. Maar ook van mond tot mond. Het tijdelijke is de kern van dit werk. Het verandert, het wordt verdund. Als verhaal wordt het deel van de toeschouwer.”

Op het gala waarmee Het Nationale Ballet zijn seizoen opent, regent het voorproefjes. De pas de deux uit Het zwanenmeer, met prima ballerina Igone de Jongh werkelijk dansend als een vrouw die óók een zwaan is, maakt dat ik de volgende dag meteen ga kijken. En dan val ik vooral voor de passage met de vier jonge zwaantjes.

Maar dat is morgen pas. Nu zie ik het power-duet uit Le Corsaire. Berucht om zijn pirouettes en zijn sprongen. Tot slot tilt de danser de danseres hoog op. Ze daalt. Hé. Zijn haar zit in de war. En in haar tutu hangt zijn zeeroverhoofdmanbandje. Wat nu?

Applaus. In haar révérence plukt de danseres het bandje uit de tule. Bij haar volgende buiging heft ze haar arm en werpt het met een boog de coulissen in. Zwíep! Dit blijft me bij. Altijd.