Ik geef om je* *als het me uitkomt

In de Troonrede zei koning Willem-Alexander het vorig jaar al: Nederland verandert in een participatiesamenleving. Maar naastenliefde kent in dit land al een lange geschiedenis, toont Museum Catharijneconvent.

Een bedelaar in 1914, geschilderd door Theo van Doesburg. CMU / Ernst Moritz

We hebben het allemaal wel eens gedaan: een bejaarde helpen oversteken, geld geven aan een dakloze, een zware tas voor iemand tillen. We vinden dat vanzelfsprekend. Voor sommigen gaat naastenliefde nog verder: 5,5 miljoen Nederlanders doen naast deze incidentele aardigheidjes geregeld vrijwilligerswerk, en 3,5 miljoen mantelzorgers doen boodschappen voor hun naasten, helpen ze worstelen met steunkousen of nemen ze zelfs in huis. En vanaf 1 januari wordt onze naastenliefde nog verder op de proef gesteld: met de decentralisatie van de zorg verandert Nederland dan langzaam in een ‘participatiesamenleving’.

Een goede timing dus van Museum Catharijneconvent in Utrecht, dat sinds vorig weekend een tentoonstelling heeft met de titel Ik geef om jou! Naastenliefde door de eeuwen heen. De brochure belooft een overzicht van de naastenliefde van de Middeleeuwen tot nu aan de hand van kunstwerken en objecten.

De bezoeker reist inderdaad door de eeuwen heen, maar wel met een hiaat tussen de achttiende eeuw en nu. Veel van de kunstwerken en objecten stammen uit de Middeleeuwen en de twee eeuwen erna. Uit de negentiende eeuw zien we slechts een paar schilderijen, en de twintigste eeuw wordt vertegenwoordigd door een tachtig jaar oude rolstoel en een logge rollator annex looprek uit de jaren zeventig.

Deze concentratie op de oudere geschiedenis is niet verrassend. Het Catharijneconvent, gevestigd in een oud klooster, concentreert zich op het bewaren en tonen van christelijke kunst en cultuur. Logisch dus dat het zwaartepunt van deze tentoonstelling ligt bij objecten uit de tijd dat de charitas nog ferm in handen was van de Kerk.

Houten blokken met boeien

De schilderijen en objecten, vergezeld van een multimediatour, laten zien hoe het was om eeuwen geleden oud, ziek, arm en/of wees te zijn. Zeker in de Middeleeuwen ging men ervan uit dat God je plaats in de maatschappij bepaalde en dat die positie ook nooit zou veranderen: geen van-krantenjongen-tot-miljonair-mentaliteit. Dat betekende niet dat de minder bedeelden allemaal van de honger crepeerden. De kerk, christelijke instellingen en rijke particulieren zagen het als hun christelijke plicht om ‘goede werken’ te doen. Dit deden ze niet alleen uit altruïsme: het was ook een manier om je te verzekeren van een prettig plekje in het hiernamaals.

De tentoonstelling toont de verbeelding van deze goede werken. Op verschillende schilderijen figureert Caritas, de personificatie van de naastenliefde. Zij werd afgebeeld als (al dan niet naakte) vrouw met kind. De charitasdoctrine luidde immers: heb elke vreemde lief als uw eigen kind. Rijke weldoeners lieten zich afbeelden met Caritas op de achtergrond, om aan hun medeburgers te tonen hoe serieus zij hun christelijke plicht namen. In een andere zaal zien we een broodtafel uit 1603, afkomstig uit het St. Eloyengasthuis. Hier konden de armen essentialia als brood, vlees en turf halen – de broodtafel was een voorloper van de Voedselbank.

Maar het was niet alleen maar liefde en broederschap in de verre geschiedenis. Midden in de zaal over opvanghuizen treft de bezoeker twee houten blokken met boeien eraan, afkomstig uit het Alkmaarse diaconiehuis. Nukkige wezen of opstandige bejaarden werden pardoes in de boeien geslagen als zij zich niet aan de regels hielden. En als leprapatiënt had je het al helemaal moeilijk: je werd buiten de stad opgesloten in een leprozenhuis, waar je eens per jaar uit mocht – mits je je komst aankondigde met een houten klepper, opdat gezonde medeburgers zich uit de voeten konden maken.

Kortom: naastenliefde was belangrijk, maar functioneerde wel in een statische, hiërarchische maatschappij vol (bij)geloof en willekeur.

Propjes prikken in het plantsoen

Hoe anders is het nu. Vanaf de negentiende eeuw, toen het onoverzichtelijke netwerk van christelijke organisaties er niet meer in slaagde de armoede doeltreffend te bestrijden, nam de staat langzamerhand de charitasfunctie over. Rond de eeuwwisseling ontstonden de eerste sociale wetten, en na de Tweede Wereldoorlog werd de verzorgingsstaat opgebouwd die wij nu kennen.

De religie die elke norm en waarde in deze vroegere eeuwen vormgaf, is nu verdwenen uit het publieke domein. Het is niet meer God die bepaalt wie en wat je wordt, maar je genen, je opvoeding en je eigen keuzes. Voor hulp in geval van armoede of ziekte ben je niet meer afhankelijk van kerk of buurman, maar kun je aanspraak maken op je verzekerde rechten. En als tegenprestatie voor geld hoef je niet meer te bidden – je moet hoogstens propjes prikken in een plantsoen.

Als bezoekers niet zelf een vergelijking maken met het heden, zorgen de ‘levende objecten’ daar wel voor. Elke dag zitten op strategische plekken in de tentoonstelling twee à drie ervaringsdeskundigen die de bezoekers (als die daaraan behoefte hebben) vertellen over hun belevenissen met naastenliefde. Dit zijn mensen van allerlei pluimage: onder andere mantelzorgers, vluchtelingenwerkers en ex-daklozen. Zo is er Cora, die een strijd leverde met verschillende instanties om haar man thuis te kunnen verzorgen. En Rob, die aan de hand van een schilderij dat hij kreeg van een Iraakse asielzoeker vertelt over zijn belevenissen bij Vluchtelingenwerk.

Ook de bezoekers zelf kunnen hun ervaringen kwijt: op de ‘verhalenzolder’ hangen waslijnen waaraan zij hun verhaaltjes mogen hangen. Na een paar dagen is er een bescheiden verzameling, waaruit blijkt dat ‘echt naar een ander luisteren’ centraal staat voor de Catharijnegangers. De meer digitaal georiënteerde mens kan ook op de site van het museum zijn verhaal kwijt. En dan is er nog het ‘inspiratiehuisje’ naast het museum, waar een ‘matchmaker’ mensen koppelt aan vrijwilligerswerk naar keuze. Op sommige dagen zijn er vrijwilligersorganisaties present met kraampjes en folders.

Ondanks deze kleine wervingscampagne is Ik geef om jou! niet moraliserend. Naastenliefde wordt getoond, niet gepredikt. En zo doet de expositie wat je van een historische tentoonstelling verwacht: ze plaatst onze huidige samenleving in perspectief. Wij zien de staat nu als de vanzelfsprekende verzorger, maar dat is niet altijd zo geweest. En het zal ook niet altijd zo blijven: lees de Troonrede van vorig jaar er maar op na.