Het leven is te kort om zelf wijn te maken

Luc Zeebroek – cartoonist Kamagurka – begon op zijn 45ste met wijn drinken. „Ik had altijd gedronken, maar nooit geproefd.”

Luc Zeebroek (Kamagurka): „Het verschil tussen een goede wijn en een slechte wijn is groter dan het verschil tussen een goede wijn en goed bier.”

Kamagurka, geboren Luc Zeebroek (58), is cartoonist, schrijver, performer. Zijn tekeningen staan sinds 1979 in NRC Handelsblad , sinds 2002 dagelijks op de voorpagina. Hij is ook wijnkenner, zo was me verteld. Met wijnschrijver Harold Hamersma maakte hij het boek Wijnzin en waanzin, hij ontwierp etiketten voor flessen van verscheidene domeinen. Maar nu zit hij aan de ander kant van de tafel en schudt zijn hoofd ontkennend. „Geen kenner.” Niet? „Nee.”

Zijn haar is donker, met hier en daar wat grijs. Zwart poloshirt. Donkere ogen, zachte stem. Zijn tekeningen mogen absurdistisch zijn, zijn voorkomen is dat niet. We zitten in een etablissement in Gent. Hij koos het om de bereikbaarheid. Dicht bij het treinstation en niet al te ver van zijn atelier. De keuken is er goed, weet hij. En wat goed is in Gent, is uitstekend voor Nederlandse begrippen. In de paar minuten voor zijn komst, probeerde ik wijs te worden uit de menukaart en de twee (!) dubbelzijdig bedrukte wijnkaarten die de ober terloops op tafel legde. Er staan wijnen op met ‘rokerige impressies’, een ‘rijke molligheid’ en een ‘fruitige neus’. Onderaan de kaart, in schuine lettertjes, staat dat de kwaliteitswijnen hier „een heel pak goedkoper” zijn, omdat de restauranthouder niet met percentages rekent, maar een vaste marge bovenop het aankoopbedrag rekent.

Hij is geen wijnkenner, zegt hij, wel een wijndrinker. En zelfs dat doet hij nog helemaal niet zo lang. „Pas op mijn 45ste ben ik beginnen te drinken.” Echt? „Het interesseerde me niet. Ik heb altijd wel wijn gedronken, maar nooit geproefd. Ik dronk gewoon wat er voorhanden was. Nooit veel. En als er eens een slechte wijn tussen zat, was ik weer drie, vier jaar vertrokken en dronk ik niet.” Ai, slechte witte wijn, herhaalt hij en kronkelt alsof hij wordt vergiftigd. „Wat dat met je lichaam doet... Te zuur, te zout.” Zout? Hij hapt als een vis op het droge. „Ja, zout. Eerst proef je iets fris. En als dat weg is... blijft op de tong een ziltige smaak achter.” Hij vervolgt de weg die de wijn in het lichaam aflegt: „Je maag drukt het weg... Maar het kan nergens heen. Het komt nergens terecht.”

Hij weet nu dat er zo’n zeventig stoffen zijn die aan wijn mogen worden toegevoegd. „Om de smaak op te peppen, of de geur, om te verdoezelen dat de druiven niet rijp waren. Weet jij veel wat je drinkt?” En biologische wijnen dan? Of biodynamische? „Rekening houdend met de stand van de maan, en de juiste richting van de koehoorns? Biowijnen waren lang niet te zuipen. De laatste vijftien jaar zijn ze geëvolueerd.”

Goede wijn daarentegen... „Die komt overal. In je handen, je benen, je hoofd. Het tintelt. Het is relaxerend.” Het verschil tussen een goede wijn en een slechte wijn, zegt hij, is groter dan het verschil tussen een goede wijn en goed bier.

Hij bestelt zwarte thee. Zwijgend duw ik de menu- en wijnkaarten zijn kant op, in de hoop dat hij wel een keuze maken kan. Hij kiest iets lichts, tonijnfilet. Zonder de friet, maar met dubbel sla. Vanavond eet hij weer in een restaurant, met zijn oudste twee kinderen Sarah (30) en Boris (29). Hij glijdt met zijn vinger langs de namen en jaartallen op de wijnkaart. „Een Pomerol. De favoriete wijn van Theo van Gogh.” Van Gogh? Wijnliefhebber? Grinnikt: „Hij dronk het uit een bierglas.” Zijn vinger stopt bij een Grüner Veltliner. „Een Oostenrijkse. Die wijnen zou ik graag leren kennen.” Opkijkend: „Dat is het met wijn, hè. Je leert altijd nieuwe dingen bij, je raakt er nooit over uitgeluld.”

De restauranthouder komt aan tafel staan om de keuze te begeleiden: „Bij een tonijntje zou ik toch rood drinken.” Rood? „Een Venetiaans koud, rood wijntje.” Kamagurka verdedigt nog even de Veltliner, maar geeft op als blijkt dat die niet per glas wordt geschonken. „Merlootje doen dus?”, triomfeert de eigenaar. „Fles? Glas? Karaf?” Karaf.

Wat deed hem op zijn 45ste besluiten te gaan drinken? „Ik miste iets.” Wat? „Iets waar anderen genoegen aan beleefden. Een vage notie dat er iets bestond waar ik geen deel aan nam.” Hij naar een wijnhandel in Gent, en daar heeft hij een fles gekocht waarvan hij „intuïtief” wist dat die goed was. Wat voor fles? „Een Echézeaux uit 1996. Een Bourgogne.” Thuis opgedronken, alleen. En? „Ah. Fantastisch.” Na een poos terug naar de winkel, voor nog zo’n fles. „Nee, meneer die wijn hebben we niet meer. Wel deze...” Zo word je vanzelf drinker.

De tonijn komt snel. Voor hem bleu – aan beide kanten licht geschroeid. De wijn kan ermee door, keurt hij. „Beetje zoet. Maar omdat hij zo koud is, gaat het wel.” Tonijnwijn, rijmt hij tevreden. Even valt het stil. „Wat ik wel eens heb gedaan...”, begint hij. Een paar jaar geleden, in een Frans hotel. „Een glas armagnac gedronken uit elk oorlogsjaar. Begonnen in 1914. Daarna een uit 1923, het geboortejaar van mijn vader. Toen door naar het jaar 1940.” En? „De oorlog smaakt fantastisch. Ongelooflijk. In oorlogstijd nog armagnac maken.” Het waren vijf dure dagen in dat hotel. Een glas kostte gemiddeld honderd euro. De bijzonderste fles, een uit 1900, heeft hij niet geproefd. „Die was onbetaalbaar. Dat zijn flessen die alleen rijke Russen kunnen drinken.”

We eten. Rond mijn 33ste, zegt hij, zat mijn nek vast. O? „Ik liep bij een kinesist.” Een chiropractor. „Hij zegt: ik ben al die Bordeaux zo beu.” Kamagurka, geen drinker in die tijd, nam het voor kennisgeving aan. „Jaren later vraagt hij me of ik een etiket wil maken. Voor zijn wijn. Blijkt hij een stuk land in Frankrijk te hebben gekocht, waarop hij zijn eigen druiven verbouwt. Hij stuurt me een kistje. Best lekker. Later is hij meer en meer wijn gaan maken. Wel vier of vijf verschillende soorten.” En hij vertelt dit omdat hij zelf droomt van een eigen wijnlandgoed? Volgens Harold Hamersma iets waarover veel wijnliefhebbers fantaseren, maar wat hij zeer ontmoedigt. Niks romantisch aan, alleen hard werken met vaak een mager wijntje als resultaat. Kamagurka droomt dat soort dromen niet. „Ik drink te graag. Het leven is te kort om zelf wijn te maken.”

Judo

Die nekpijn, zegt hij, had hij sinds zijn negentiende. „Op mijn negende ging ik op judo. Wedstrijden, toernooien, ik was niet slecht.” Vanaf het moment dat hij ermee stopte, had hij die pijn. „Op mijn 33ste pakte ik de judo weer op. De pijn was meteen weg. Ik heb het gedaan tot mijn 45ste.” En toen is hij wijn gaan drinken? Hij lijkt te schrikken van die gevolgtrekking. „Ja. Haha. Precies.” En de pijn bleef weg? Hij knikt van ja. Zucht. „Maar toch zou ik weer meer beweging moeten nemen.”

Van de judo op zijn negende is het in zijn hoofd een klein stapje naar zijn eerste wijnervaring. Hij moet een jaar of vijf zijn geweest. „Elk jaar gingen we met vakantie op een boerderij in Normandië.” Hij was enig kind, geboren in Nieuwpoort, vlak bij de kust. „Mijn vader heeft zich in de oorlogsjaren bij die mensen verstopt, op de vlucht voor de Duitsers.” Kamagurka herinnert zich de geuren en de smaken van wat hij daar at. „Gestoofd konijn, en Coq au vin.” En daar kreeg hij dan een glas wijn bij. Lekker? „Ja. Ik werd er ook niet dronken van.” Ja, nu, in deze tijd, is alcohol gevaarlijk voor jonge mensen. „Vooral die zoete drankjes, die smaken als limonade.” Maar toen? Toen deed niemand spastisch. „Alle kinderen kregen het daar. Coca cola bij het eten, dát vonden ze erg. Maar wijn was oké.” Hij hielp zijn grootvader sigaretten draaien. „En als het klaar was, kreeg ik er één. Ik was zes.” Nog een associatie. Een andere plek, ook op een boerderij. Een vat, een kraantje, een tinnen kannetje eronder. „Eigengemaakte cider. Ongefilterd en troebel. Ah! Het was bitter, zuur en zoet tegelijk. Zerp.” Van de cider naar de flessen die zijn ouders thuis dronken. Ze dreven allebei een eigen verfwinkel. „Altijd Châteauneuf-du-Pape. Of Saint-Émilion.”

Ik vraag of hij dagelijks wijn drinkt. Nee, zegt hij. Zeker niet bij de lunch. Hij zakt half onder tafel. „Nadien voelt het alsof de ellebogen te zwaar wegen.” Hoewel. Hij is nu champagne aan het ontdekken. „Ik dacht altijd dat zijn spuitvaten met iets erin. Maar er zijn zoveel verschillende, met elk een eigen smaak. Je kunt het altijd drinken. Bij het ontbijt, als aperitief, digestief, bij het eten. Het effect is ook zo leuk. Na een fles champagne kan ik zonder probleem optreden.”

Deze week verblijft hij in een hotel in Zwitserland, om ongestoord te kunnen werken aan zijn nieuwe theatervoorstelling. In oktober heeft hij al de eerste try-out. Na jarenlang samen optreden met collega-striptekenaar en kunstenaar Herr Seele, staat hij nu alleen op het podium. „Ik heb alles weggedaan. Geen muziek, geen decor. Alles heel kaal en eenvoudig. Ik hoef me nergens naar te schikken. Het podium is de enige plek waar ik totale vrijheid heb.” Het wordt nu wel tijd die 75 kale minuten op het podium te vullen. Het begin is er. Een droom. „Ik sta vast in de file. Ik schiet niet op. Dan ineens ben ik op de péage. De weg is groot en breed. Ik raak in paniek, ben bang. Ik mis die file eigenlijk.” En dan? Hij lacht minzaam. „De rest vertel ik een andere keer.”