Goed pleiten is pure zelfbevrediging

Deze week verscheen een boek over de loopbaan van strafpleiter Theo Hiddema (70). „Ik ben ervan overtuigd dat de ijdelste advocaten het best kunnen pleiten.”

Tekst Coen Verbraak Foto’s Merlijn Doomernik

Dit voorjaar werd hij zeventig. Voor Theo Hiddema allerminst een reden om het wat rustiger aan te doen. De strafpleiter doet nog altijd zo’n tweehonderd zaken per jaar. En nu is er ook een boek, Mr. Hiddema; strafpleiter, dandy, dwarsligger, waarin Stan de Jong Hiddema in monoloogvorm aan het woord laat over zijn turbulente carrière, die inmiddels vier decennia omspant. Onweersproken en onbecommentarieerd, dat wel. „Maar waarom zou ik niet eerlijk de waarheid vertellen?’’

Het stond voor Hiddema altijd al vast dat hij advocaat zou worden. Officier van Justitie leek hem niks. En rechter al helemaal niet. „Ik acht mijzelf mentaal niet toegerust om anderen dertig jaar van hun leven te ontnemen. Dat is mijn stiel niet.’’

Wat is uw stiel wel?

„Sluipwegen vinden. Proberen steeds iets te verzinnen waardoor er licht in een zaak komt. En het duel in de rechtszaal zelf verschaft mij veel genoegen. Soms sta ik te pleiten en vliegen de bon mots als gebraden duiven mijn mond uit. Af en toe hóór ik mezelf praten. Dan sta ik echt te genieten: ‘Jezus Theo, wat ben jij dat je dit allemaal klaarspeelt’. Dat heeft een rechter nooit. Die zit vooral te luisteren.”

Maar hij velt wél het uiteindelijke oordeel.

„En juist dat zou mij dwarszitten. Die rechter gaat toch naar bed met het besef dat-ie iemand grote misère heeft bezorgd. Dat zou mij geen voldoening geven.”

U gaat liever naar bed met de gedachte: „die man heeft die moord dan wel gepleegd, maar hij is door mijn slimme pleidooi toch maar mooi vrijgekomen”?

„Ik geef toe: daar moet je lichtelijk schizofreen voor zijn. Als de rechter iemand die een gevaar voor zijn omgeving is voor dertig jaar opsluit, dan is dat maatschappelijk bezien een goede zaak. Als ik diezelfde man vrij krijg, dan zal ik me de volgende dag toch een tikkeltje bezorgd onder de mensen begeven. Ik zou zo’n vent niet graag op straat tegenkomen. Maar ja, die twijfel moet je niet te lang toelaten.”

Hiddema begon in 1975 als advocaat bij het kantoor van Max Moszkowicz in Maastricht. Het was een start van een F-16, zegt hij. Hij kreeg vanaf de eerste dag grote zaken onder handen. In een van zijn eerste moordzaken draaide het om een zakje friet als cruciaal bewijsstuk à décharge. Zijn cliënt zou volgens getuigen het slachtoffer hebben achtervolgd en neergestoken. In het politierapport werd melding gemaakt van een zakje friet, dat het slachtoffer vlak voor de steekpartij even in een hoekje had neergelegd, de frieten keurig rechtstandig in de puntzak. Dat was voor Hiddema het bewijs dat de versie van de getuigen niet kon kloppen. „Iemand die voor zijn leven rent, zet niet eerst zijn zakje friet keurig in een hoekje. Hieruit bleek dat het slachtoffer de confrontatie had afgewacht.” De officier eiste zes jaar, maar de verdachte werd vrijgesproken. „Dat zijn de glorieuze momenten in het strafpleitersbestaan.”

Het waren pleidooien die Max Moszkowicz hooglijk kon waarderen. „Niet dat hij dat expliciet zei, hij gaf me gewoon een nieuwe grote zaak.” Toch verslechterden de verhoudingen gaandeweg. Helemaal toen Hiddema Moszkowicz’ kantoor verliet en een eigen vestiging in Maastricht opende, tegenover het kantoor van zijn leermeester. „Kennelijk heb ik hem daarmee in hoge mate geërgerd. Die brutale Hiddema stak hem naar de kroon. Dat was nieuw voor hem. Hij was gewend dat mensen naar hem opkeken. Dat deed iedereen op dat kantoor. Dat gold niet in de laatste plaats voor zijn eigen zoons. Ik denk dat ze daar later nog weleens last van hebben gehad.”

Hoe hebt u vorig jaar gekeken naar de val van Bram Moszkowicz?

„Ik heb weleens gezegd: ze hebben Bram het leven uit zijn lijf gerukt. Wat Bram zoal fout heeft gedaan is het veronachtzamen van zijn cursuspunten. Die cursussen zijn er om te zorgen dat je goed kunt pleiten. Maar ja, dat dééd Bram toch allang? Hij is een natuurtalent. Daar staan types tegenover die voornamelijk talent hebben om talentvolle collega’s onderuit te halen. Voor die reglementeerders en verbieders heb ik minder waardering. Bram is aan de hoogste boom opgehangen als voorbeeld; kijk ’ns, wij durven ook topadvocaten aan te pakken.”

Hiddema heeft, als het om collega’s gaat, duidelijk zijn voorkeuren en antipathieën, blijkt uit zijn boek. „Neem nu zo’n Bénédicte Ficq. Als morgen het heelal op hol slaat, de zon uit de lucht komt vallen en daardoor Ficqs fietstas verschroeid raakt, staat overmorgen in de krant: Ficq stelt Amsterdamse politie aansprakelijk.” Oh, maar hij heeft nooit iets tegen mevrouw Ficq gehad, benadrukt Hiddema. „Totdat ze mij begon neer te zetten als een pronkzuchtige advocaat die het aanzien van de advocatuur naar beneden haalt. En altijd weer komen aanzetten met die fiets van haar. Ze zei een keer: ‘Ik heb wel eens naast Moszkowicz voor het stoplicht gestaan. Hij zat in z’n Ferrari en ik zat op m’n fiets. Ik bedoel maar: wij matchen gewoon niet.’ Dat klopt al niet. Bram rijdt in een Aston Martin. Ik ook. In een veel mooiere trouwens, maar daar gaat het even niet om. Maar Ficq profileert zich tegenover andere advocaten door haar fiets in te zetten. Want kennelijk kun je pas echt voor minderbedeelden opkomen wanneer je je op de fiets om hun lot kunt bekommeren.”

Zij bedoelt waarschijnlijk: „Dat zijn de mannen van het grote geld. Die doen vooral zaken waar ze rijk van worden”.

„Schandalig! Ik denk dat ze gewoon geen rijbewijs heeft, en bovendien behept is met een andersoortig esthetisch besef. De één wordt nou eenmaal aangetrokken door de esthetiek van cultureel erfgoed als een Aston Martin, de ander ziet meer in een roestig buizenframe. Maar mevrouw Benedict Fiets moet daarmee niet suggereren dat wij het alleen voor het geld doen.”

Waar doet u het dan voor?

„Het is pure zelfbevrediging. Het gaat om je eigen ego. Dat kun je ijdel noemen. Maar ik ben ervan overtuigd dat de ijdelste advocaten het best kunnen pleiten. Goed pleiten is voor mij een levensbehoefte. En de cliënt heeft daar en passant veel baat bij, want die profiteert mee van die eigendunk.”

Wat ook opvalt in uw boek is de tirade die u afsteekt tegen de Islam.

„Ach, dat is meer een particuliere hobby. Ik vind de politieke islam weerzinwekkend. Dit werk heeft me tot scherpe inzichten gebracht. Ik zie bij mijn cliënten steeds een constante: daar waar de islam om de hoek komt, wordt het er niet gezelliger op. Pim Fortuyn had volstrekt gelijk met zijn opmerking dat de islam een achterlijke cultuur is. En wat een eigendunk ook: zo’n zelfmoordenaar die de Koran leest en besluit dat-ie even twintig levens mee gaat nemen richting zeventig maagden. Dan zeggen wij: ‘nee, dat is niet de hele islam, dat is maar een gek’. Tot je dienst. Hij is wel gek gemaakt door dat malle boek. Dat zegt-ie tenminste zelf als-ie ontploft: Allah-uh-Akbar.”

Solliciteert u nu naar de verdediging van Geert Wilders, als er een zaak tegen hem komt?

„Ik vind Wilders een dappere vent voor wie ik bewondering heb. Ik zou zijn zaak zeker doen. Dat ‘minder, minder’ was misschien weinig smaakvol, maar toch niet haatzaaiend genoeg om het voor de strafrechter te brengen. Want de aanhangers van Wilders doen geen vlieg kwaad. Die schuimen echt niet in bruine hemden de straten af, zoals mijnheer Prem Radhakishun ons zo graag wil doen geloven. Maar moet je die verbeten koppen aan de andere kant ’ns zien als je iets zegt over de islam. Dan denk ik: wie zaait er hier nou haat?”

De start van zijn bestaan was moeizaam. Theo Upt Hiddema was een nakomertje in een gezin met drie jongens. Zijn oudste broer Frans was dertig jaar ouder dan Theo. „In de praktijk kwam het erop neer dat ik opgroeide als enig kind.” Hij was als jongen ‘een eenzame ziel’. Al had dat ook voordelen. „Wij woonden even buiten Holwerd op 200 hectare dus ik kon alleen maar naar de lucht kijken en naar de schapenwolkjes. Dan zwengel je aan de pomp van de verbeelding. Je ligt daar wat in het gras, je hebt geen vriendjes en achter de horizon is alles groener, dus je wilt weg. En dan leer je ontsnappingsroutes creëren. Dat komt je in de strafpraktijk zeer ten goede.”

Op zijn elfde werd hij door zijn ouders op een kostschool in Leeuwarden geplaatst. „Ik was dus al jong aangewezen op mezelf.” Zijn vader en zijn oudste broer sloten zich in de jaren dertig aan bij de NSB. Hij had later felle discussies met zijn vader over diens NSB-verleden. Achteraf gezien was dat een goede leerschool. „Het is voor een strafpleiter in de dop heel goed om je af te kunnen zetten tegen een autoritaire vader. Omgekeerd had ik natuurlijk een fijn punt waarmee ik hém kon raken. Later ben ik me gaan realiseren dat ik hem het leven wel erg zuur maakte. Ik vond het eigenlijk jammer dat hij niet meer leefde toen ik jaren later de weduwe Rost Van Tonningen verdedigde. Dat had hij vast en zeker hoogst bijzonder gevonden: dat zijn zoon die zo’n felle oppositie tegen hem had gevoerd nu op schoot belandde bij de grootste spin die op dat vlak actief was.”

Weinig mensen begrepen dat u Rost van Tonningen verdedigde.

„Als ik de drollen moet optellen die ik in die tijd in mijn brievenbus heb mogen ontvangen, dan hebt u gelijk. Terwijl ze een blanco strafblad had.”

Ze was getrouwd geweest met Rost van Tonningen…

„…is dat ook een misdrijf dan?”

… wiens gedachtengoed ze tot haar dood is blijven uitventen.

„Nou en of! Ze was nog feller dan hij. Mij maakte dat niks uit. Ik vond haar een interessante mevrouw. Dat besef van haar denkbeelden werd voldoende geneutraliseerd door de vertedering – ik kan het niet anders benoemen – die ik voor haar voelde. Ik had diep respect voor haar standvastigheid en opgewektheid.”

De strafrechtadvocatuur blijft in essentie een gewetenloos vak, vindt hij. „Je moet voor dit vak onmiskenbaar een weeffoutje in je gewetensfunctie hebben. In het dagelijks leven marcheer ik redelijk binnen de grenzen van het maatschappelijk wenselijke. Ik probeer voorkomend te zijn en anderen geen kwaad te berokkenen. In mijn werk neem ik het daarentegen op voor mensen die eigenlijk best een zware gevangenisstraf verdiend zouden hebben. En toch veer ik telkens juichend op als ik zo iemand op een vormfoutje vrij kan krijgen.”

Neem die zaak van die rijke weduwe. Ze was gevonden in het kanaal, haar hoofd van kruin tot kin ingetaped met een lint. „Gestikt door intaping”, concludeerde de officier in zijn requisitoir. „Dat was nog in de tijd dat een officier zijn tenlastelegging tijdens de zitting niet meer kon wijzigen.” Hiddema liet een katrol in de rechtszaal installeren met een identiek lint dat hij om een kunsthoofd wikkelde. „Ik zei: ‘probeert u maar ’ns iemand te verstikken door zo’n lint erom heen te draaien. Dat lukt u nooit.’ Mevrouw is niet gestorven door verstikking, maar door verwurging.”

De officier had vijftien jaar geëist, maar de rechtbank sprak de verdachten vrij. Op basis van mijn pleidooi.” Voor opzichtig vreugdebetoon was op dat moment geen plaats. „De zaal zat vol familieleden van het slachtoffer, dus de pleuris brak echt uit. Ik ben door de politie naar het station gebracht. In dat busje heb ik inwendig natuurlijk wel zitten juichen.”

Omdat u twee moordenaars vrij kreeg.

„Zo is het. Ik ben als advocaat regelmatig zeer onmaatschappelijk bezig. Ja, wat dácht je. Als ik iemand die levensgevaar oplevert op een vormfout vrij krijg, dan is ook voor mij de vraag: ‘hoe rechtvaardig ik dit voor mezelf?’”

En wat is dan het antwoord?

„Dat ik er zoveel lol aan beleef. Puur aan het ambachtelijke. Op zo’n moment geeft je beroepstrots gewoon de doorslag. Dan kun jij zeggen: ‘en nu loopt er dus een moordenaar los’. Dat is zo. Maar ja, zo is het leven. Er kan morgen ook een dakpan op zijn kop vallen. Het bestaan is nou eenmaal geplaveid met tegenslag en pech. Daar kan dit dan ook nog wel bij.”