Eigenaardige statistiek met vogels en gif

Een bosrietzanger.
Een bosrietzanger. Foto ANP

Het begon met een publicatie van een Nijmeegse onderzoeksgroep in Nature van 10 juli. De Nijmegenaren, aangevoerd door plantenecoloog Hans de Kroon, meldden een verband te zien tussen de afname van de vogelstand op sommige plaatsen in Nederland en de toepassing van het insecticide imidacloprid nabij die plaatsen. Imidacloprid had al een heel slechte naam onder bijen en bijenhouders, kennelijk liepen nu ook vogels gevaar. Het nieuws kwam hard aan.

Imidacloprid is een traag afbrekend insecticide dat op een unieke manier wordt toegepast. Zaden en bollen van landbouwgewassen worden erin gedrenkt voor ze worden uitgezaaid of gepoot. Later wordt het middel dan door de wortels opgenomen en door de plant verspreid. Het eindigt in bladen, bloemen en stuifmeel en het insect dat daarvan eet is de dupe. Een prettig idee is dat niet, maar het voordeel van de methode is dat geen insecticide wordt verstoven en kan wegwaaien.

Het nadeel is dat veel onopgenomen imidacloprid in het bodemwater terechtkomt en vandaar belandt in sloten en kanalen. Een onderzoeksgroep in Utrecht kon vorig jaar in Plos One met een statistische exercitie aannemelijk maken dat de groei van insectenlarven hier en daar geremd wordt door hoge concentraties imidacloprid. Watermijten hadden geen last.

De groep uit Nijmegen had een gouden idee gehad. Ze legde bestaande broedvogelinventarisaties van Sovon Vogelonderzoek Nederland naast de set wateranalyses van regionale waterbeheerders die ook in Utrecht was gebruikt en koos 15 vogelsoorten die algemeen zijn in agrarisch gebied en die in het broedseizoen veel insecten nuttigen. In de omgeving van watergangen waarin eerder veel imidacloprid was gevonden bleek een aantal soorten flink teruggelopen. Het meest uitgesproken was de relatie tussen vogelteruggang en imidacloprid-concentratie voor de boerenzwaluw, de ringmus, de gele kwikstaart, de grote lijster en de spreeuw. Maar er waren ook soorten, uitgerekend soorten die nabij water leven, zoals de bosrietzanger en de kleine karekiet, die niet of nauwelijks te lijden hadden van de invloed van het insecticide op het voedselaanbod.

Het enthousiaste commentaar in Nature is aan dat laatste voorbijgegaan. Dat concludeerde dat er nu ‘direct evidence’ was dat imidacloprid ook ‘knock-on effects’ heeft op hogere diersoorten. De teruggang van insectenetende vogelsoorten werd ‘neatly’ voorspeld door de imidacloprid-concentraties in hun omgeving. De commentator had aan Silent Spring gedacht!

Zou het zó erg zijn? Of is er af te dingen op de Nijmeegse conclusies? Het voornaamste tekort is dat niet naar de insecten zelf is gekeken. Aangenomen wordt dat de concentraties imidacloprid in slootwater maatgevend zijn voor het gebruik van de stof in de omgeving en dat de insectenstand rond vervuild water extra laag is. Bewezen is dat niet. Voor insecten met een waterstadium (muggen, dansmuggen, eendagsvliegen, waterjuffers e.a.) is het niet onaannemelijk. Maar de meeste insecten hebben geen waterstadium.

Of een vogelstand op een bepaalde locatie vooruit of achteruit ging is afgeleid uit tellingen tussen 2003 en 2010: zeven jaar. Uit een enkele opmerking in Nature blijkt dat soms genoegen werd genomen met tellingen van vier jaar. Dat is bitter weinig voor populaties die van nature sterk variëren.

Pijnlijk is dat het merendeel van de vogeltellingen niet plaatsvond in de buurt van de plekken waar water werd bemonsterd. De overlap tussen de twee data-sets is beroerd. Nijmegen loste het op door de gemeten imidacloprid-concentraties over heel Nederland in een glijdende schaal te interpoleren, zoals het KNMI temperatuurcontouren bepaalt met metingen van maar 32 weerstations. Maar voor imidacloprid, dat zó lokaal wordt toegepast (en niet verwaait) is het raar. Ten slotte werden de waargenomen trends aan alle 15 vogelsoorten samengeveegd (‘gepoold’) in een verzamelgrafiek, et voilà: daar was het effect. Onbetrouwbare vogeltrends gerelateerd aan fictieve wateranalyses, denkt de buitenstaander zwetend, maar tegen de moderne standaardpakketten statistiek heeft hij geen verweer.

Gelukkig heeft Nijmegen ook nog het effect van imidacloprid op de soorten afzonderlijk in beeld gebracht. 15 aparte grafiekjes tonen de populatiegroei in relatie tot een imidacloprid-meting die hoogstens 5 kilometer verderop werd gedaan. Helaas bevatte de Sovon-dataset maar heel weinig tellingen op minder dan 5 kilometer afstand van èrg imidacloprid-vervuild water, voor de boerenzwaluw bijvoorbeeld maar 3 op een totaal van 17, en voor de ringmus maar een stuk of vijf (op de 31), maar toch kon het statistiekprogramma weer een significante invloed aanwijzen. Daarbij werd de AW-scepticus getroffen door een eigenaardigheid die hij niet duiden kan: hoe minder metingen hoe sterker het imidacloprid-effect lijkt te zijn. Juist van boerenzwaluw, ringmus, grote lijster en spreeuw zijn de minste gegevens verzameld. Het verstand staat er bij stil.

Zou er eigenlijk op 5 kilometer afstand van een imidacloprid-toepassing effect zijn te verwachten op de insectenstand? Hebben de insecten waar fitis en grasmus in de Zuid-Hollandse duinen van leven, te lijden van het behoedzaam imidacloprid-gebruik door de bollentelers een paar kilometer verderop? Het lijkt verdomde kras.

En hoe zouden de conclusies zijn uitgevallen als er 15 andere vogelsoorten waren gekozen? Er zijn insecteneters genoeg en de rietzangers en de karekiet hadden geen centje pijn, misschien zijn er veel meer van zulke vogels. En stel, stèl, dat meer herbivore vogels zoals duiven, putters, kneutjes en groenlingen, óók een grote imidacloprid-gevoeligheid hadden vertoond. Hoe hadden de onderzoekers zich daaruit gered met hun statistiekpakket? Dan hadden ze gezegd dat er wel een correlatie was gevonden tussen vogelstand en imidacloprid-gebruik, maar geen causaal verband. Dat het vogelverlies toevalig aan iets heel anders lag dat vaak samengaat met imidacloprid-gebruik. Eigenlijk kan iedereen daarover meedenken.