Column

De regio protesteert tegen globalisering

Het Schotse referendum is achter de rug. Maar een van de belangrijkste vragen die dit referendum heeft opgeworpen, is donderdag niet beantwoord: waarom wijzen zoveel mensen in een van ’s werelds rijkste gebieden met zoveel passie de politieke structuur af die hen deze rijkdom gebracht heeft?

Dit referendum ging niet alleen over de wens van een aantal Schotten om zich aan de Britse betutteling te ontworstelen. Het was ook een uiting van verzet tegen de globalisering. Zoals zoveel Europeanen hebben de Schotten het gevoel dat ze de macht over zichzelf zijn kwijtgeraakt. Dat beslissingen die hen direct aangaan in Londen of nog verder weg worden genomen, zonder dat zij er invloed op hebben. Dat financiële conglomeraten en een handvol puissant rijke mensen die nauwelijks belasting betalen, de democratie om zeep kunnen helpen.

Als de immer sluimerende onafhankelijkheidsdrang van de Schotten de benzine was, dan was groeiende onvrede met de globalisering de lucifer. Verhalen over de Amerikaanse tycoon Donald Trump die ondanks massale protesten een excusieve golfclub mocht bouwen in een natuurgebied, en over plannen voor een gigantisch windpark in de Shetland-eilanden, spreken boekdelen.

Dit vage gevoel van onmacht heerst alom. Overal plaatsen Europeanen vraagtekens bij de globalisering. Van eind jaren tachtig tot de bankencrisis in 2008 hebben ze politici gekozen die enthousiast werkten aan deregulering en liberalisering van zo ongeveer alles. Dit heeft Europa rijker gemaakt dan ooit. Maar mensen vergaten de politiek mee te globaliseren. Dat breekt ze nu op. Je kunt banken pan-Europees maken. Maar als die in de problemen komen, sta je als land alleen machteloos. Als je grenzen opheft, moet je met alle landen in dat grenzeloze gebied één asiel- en migratiepolitiek opzetten. Iedereen heeft internet en smartphones, maar daardoor weten multinationals uit Californië nu meer over ons dan onze eigen veiligheidsdienst. Alles is geglobaliseerd, zelfs onze problemen – zie de ‘global’ jihadi’s.

Maar de politiek in Europa is nationaal gebleven. Daardoor heeft het amper nog effect als mensen stemmen. Veel eurolanden hadden regeringswissels tijdens de eurocrisis. Maar nieuwe regeringen deden weinig anders dan het beleid van hun voorgangers voortzetten. Burgers zijn de controle kwijt. Ze zijn radeloos en zoeken politieke alternatieven.

Soms lijken die voorhanden, zoals in Schotland, Vlaanderen of Catalonië. Die regio’s zijn vaak pro-Europees, omdat méér Europa ‘minder natiestaat’ betekent. In Nederland, Frankrijk of Zweden, waar regionale identiteitspolitiek minder aanslaat, uit het zich wél in euroscepsis. In Duitsland ook, waar de eurofobe Alternatieve für Deutschland (AfD) stevig scoorde, vorige week.

Let ook op Zwitserland, volgens de OESO het meest geglobaliseerde land ter wereld. Pittoreske dorpen zijn volgebouwd met kantoren voor multinationals en expatvilla’s. De Zwitsers hebben die multinationals zelf gelokt met lage belastingtarieven, hebben land aan ze verkocht, huizen verhuurd. Nu, rijk geworden, herkennen de Zwitsers hun omgeving niet meer. In een paniek besloten ze laatst om immigratie te beperken. Met racisme heeft dit niets te maken: de meeste gedupeerden zijn goedopgeleide Duitsers.

Schotten, Zwitsers of Duitsers – velen willen de macht terug en zijn bereid zichzelf daarmee financieel te benadelen. Rationele argumenten, die aan de globalisering ten grondslag lagen, verliezen gewicht. Politiek wordt emotioneler en compromislozer. Handige politici buiten dit uit door kiezers lokale, nostalgische paradijsjes te beloven. Maar nieuwe natiestaatjes kunnen Europa’s echte problemen nog minder aan dan de oude. Alleen de Europese Unie wordt op het wereldtoneel gehoord. Hoe ironisch dat die, juist nu ze het meest nodig is, van binnenuit wordt afgebroken.