De muis en zijn eikelstrategie

In het bos blijken muizen veel belangrijker voor de verspreiding van eikels dan gedacht. Maar dan moeten ze wel het wroetende zwijn te slim af zijn. De eikels moeten snel verstopt, liefst ver weg van de boom.

Zomereik levert meeste kilo’s voer

Als je nu door het bos loopt, stuiteren de eikels je links en rechts voor de voeten. En soms op het hoofd. Eén zomereik kan in goede jaren, zoals nu, wel 80.000 eikels produceren. Het is voer voor onder meer de bosmuis en de rosse woelmuis. Maar ook voor hun grote concurrent, het wilde zwijn. Dat is een grote liefhebber van eikels, en hij staat erom bekend geweldig goed te kunnen ruiken. In Frankrijk spoort hij zwarte truffels op tot een meter diep in de grond.

Bioloog Lennart Suselbeek, die over drie weken promoveert aan de Wageningen Universiteit, onderzocht de driehoeksverhouding tussen muis, eik en wild zwijn. Hij wilde weten hoe muizen hun wintervoorraad eikels aanleggen, en of ze hun risicostrategie aanpassen in aanwezigheid van wroetende wilde zwijnen. „Als je een flinke voorraad eikels in één of enkele holletjes dicht bij je nest verstopt, vind je ze makkelijk terug, en dan eet je je ’s winters rond. Maar zo’n ‘voorraadkaststrategie’ heeft ook nadelen. Je moet je voorraden actief verdedigen. En hoe meer eikels bij elkaar, hoe beter ze te ruiken zijn. Als er een zwijn voorbij komt, ben je alles kwijt en ben je ’s winters ten dode opgeschreven.”

Risicospreiding

Een beter alternatief is het ‘strooien’, het verstoppen van losse eikels her en der door je leefgebied, als risicospreiding. „Nadeel is dat je veel plekken moet onthouden en maar hopen dat je alles zelf terugvindt voordat een ander jouw eikels opspoort”, zegt Suselbeek. „Voordeel voor de eik is dat zijn zaad nu verder van de stam valt, al hangt daar wel een prijskaartje aan in de vorm van opgegeten eikels. Zo helpt de muis de eik en andersom. En natuurlijk vinden de muizen elkaars eikels. Eigenlijk komt het er op neer dat zij als populatie samen een wintervoorraad maken, waar ze ook samen van eten.”

Om de rol van het wilde zwijn te onderzoeken haalde Suselbeek acht jonge, half tamme wilde zwijnen uit het Natuurpark Lelystad met een veetrailer naar Wageningen en liet ze in telkens wisselende groepjes van vier naar eikels zoeken. In een omheind weiland van 25 bij 30 meter waren 100 plastic metselkuipen met zand ingegraven. Bij elk experiment werden 32 eikels in wisselende patronen verstopt. Soms zaten alle eikels in maar een of twee emmers, soms zat er in 32 emmers telkens één eikel, enzovoorts.

In de loop van het experiment ontstond een duidelijke rangorde in de zwijnengroep. Het ene dier nam meer de leiding dan het andere. En terwijl het ene zwijn enthousiast op zoek ging, bleef een ander soms in een hoekje zitten loeren tot de buit binnen was om dan snel toe te slaan en de eerlijke vinder weg te jagen. Voor een groter, sterker zwijn was die tactiek uiteraard lonender dan voor een kleiner broertje of zusje. En als de eikels erg verspreid lagen loonde het helemaal niet.

De wilde zwijnen waren gemiddeld tien minuten bezig om de eikels op te sporen, maar hun werkelijke zoektijd varieerde heel sterk, precies alsof het een kansspel was. Opmerkelijk genoeg vonden ze een emmer met maar één eikel net zo makkelijk als eentje met tientallen eikels. Suselbeek: „Iedereen zegt dat wilde zwijnen zo goed kunnen ruiken. Als je een grote voorraad eikels in een hoek van het weiland verstopt, zou je dus verwachten dat ze daar recht op af gaan, hun neus achterna. Maar dat deden ze niet.” Ze liepen lukraak door het weiland en staken her en der hun snuit in de grond. Hun reukzin leek daarbij geen enkele rol te spelen. Soms wroetten ze eerst in 90 lege emmers voordat ze eindelijk beet hadden.

„Blijkbaar bepalen de zwijnen niet dat de muizen hun eikels meer gaan spreiden”, concludeert Suselbeek. „Feit is wèl dat eikels een hoog vochtgehalte hebben. Is er eentje beschimmeld, dan kan je hele voorraad bederven als je ze allemaal bij elkaar zou verstoppen. Misschien speelt dat wel een grotere rol.”

Suselbeek vermoedt nu dat de slimste strategie voor muizen vooral is om de eikels snel weg te halen van plekken waar zwijnen en andere eikelliefhebbers sowieso gaan zoeken, namelijk pal onder een volwassen eik. „Ik dacht altijd dat wilde zwijnen de bermen zo graag omwoelen omdat ze daar lekkere dingen ruiken, maar nu denk ik dat ze gewoon weten of van hun ouders hebben geleerd dat die bermen, die een paar keer per jaar gemaaid worden en waar gras groeit, rijker aan voedsel zijn dan een willekeurig stuk bos met alleen maar dode bladeren. Door dat opportunistische wroeten vinden ze snel veel eikels, maar ook kevers en emelten, de larven van de langpootmug en wortelstokken van de adelaarsvaren.”

Waarschijnlijk profiteren bomen die hun zaden door de wind laten verspreiden zoals berk en esdoorn meer van de kale, omgewoelde plekken dan bomen met zware zaden zoals eik en beuk.

Eikels zenderen

Om meer inzicht in de rol van de muizen bij de verspreiding van eikels te krijgen, voorzag Suselbeek ruim 1.200 eikels van identificatiechips. Hij boorde een gaatje in elke eikel zonder het kiempje van het zaad te beschadigen, bracht de chip aan en maakte de eikel weer dicht. „Dit zijn de transponders waarmee ook huisdieren worden gechipt”, zegt Suselbeek. Elke chip geeft een eigen signaal af.

In een veldexperiment op de Veluwe werden telkens 50 eikels onder een volwassen eik gelegd en door muizen verder verspreid. Met een camera die op warmbloedige dieren reageert werd gefilmd hoe de muizen de eikels kwamen ophalen. Met een soort ‘metaaldetector’ kon de onderzoeker de individuele gechipte eikels terugvinden tot wel 30 cm diep. Suselbeek: „Een eikel weegt misschien de helft van wat een muis weegt. Toch zagen we dat de gemerkte eikels binnen een paar dagen tot wel 50 meter van de plek terechtkwamen waar wij ze hadden neergelegd. Tot nog toe zagen ecologen Vlaamse gaaien als de belangrijkste eikelverspreiders. Dat klopt misschien ook wel in de bosrand, of van het ene bos naar het andere. Maar binnen het bosgebied spelen muizen, zeker de bosmuis, de hoofdrol bij de verspreiding van eikels. En dat is op plekken waar oude bomen zijn omgevallen van grote betekenis voor de verjonging van het bos.”