Onderonsjes

Ieder land zijn eigen opwinding: terwijl in het Verenigd Koninkrijk de spanning over het ja of nee van Schotland om te snijden was, werd in de Nederlandse Tweede Kamer hartstochtelijk de rust gevierd. Het kabinet genoot zelf nog het meest van zijn wederopstanding – begonnen als een struikelende minderheidsregering, inmiddels zoekend naar de grootst mogelijke consensus.

Alles wordt voortaan onderling geregeld, het liefst vooraf. „We bespreken een miljoenennota van vijf partijen”, merkte GroenLinks-leider Van Ojik op. En de echte oppositie? Zowel Roemer als Wilders had na de vorige verkiezingen beter kunnen opstappen. Hun tandeloze cabaret werd glimlachend aangehoord.

En nu de stemming toch opgeruimd is: vorige week werd Rutger van Powned de Tweede Kamer uitgeflikkerd. Hij wilde filmen waar dat niet mocht. Geen pardon meer, vanaf deze maand heeft de Kamer nieuwe regels voor de pers. Geen politicus aanklampen met een draaiende camera; als die nee zegt, is het nee. Men is erachter gekomen dat je van populair doen niet populair wordt.

Als de politiek toch weer eens waardigheid zou uitstralen! Het is een groeiende obsessie in Den Haag. Deze week kreeg ik het verzoek mee te doen aan een film, gemaakt in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken, waarin een aantal sprekers hun licht zou laten schijnen over ‘het aanzien van het politieke ambt’. Duur van de hele film: 10 minuten.

Aanzien moet je verdienen. In zijn boek Ruling the Void benoemt de Engelse politicoloog Peter Mair als belangrijkste reden voor de afnemende betrokkenheid van de burger bij de politiek: de verstrengeling van de politieke partijen met elkaar. De burger ziet niet langer partijen die elkaar bestrijden met ideeën over de samenleving, maar een politieke klasse die alles onderling regelt. De tegenstellingen tussen partijen zijn relatief, de burger speelt geen rol in de politiek, hij is louter publiek geworden. Hij mag applaudisseren, of schelden, of twitteren, maar hij doet niet mee.

Echt, ik begrijp de groeiende tevredenheid met een kabinet dat zoveel dingen regelt, en dan ook nog met zoveel verschillende partijen. De afgelopen jaren leek de politiek te zijn vervallen tot een gênant soort infantiliteit, met als dieptepunt het ‘Marokkanen-debat’. Ook de brutale tv-journalistiek ontregelde zelden om iets pijnlijks te onthullen; de opwinding was meestal enkel de ontregeling zelf. Op de site van PowNews zag ik laatst dat homoseksuelen die in Egypte terecht moeten staan wegens hun geaardheid grappend ‘darmridders’ werden genoemd. Dat is geen journalistiek, dat is Tourette.

Vandaar die tevreden smirk op de gezichten van zoveel politici tijdens de Algemene Beschouwingen – we zijn weer onder elkaar. Er is een oppositie die of meedoet, of versleten en onmachtig vanaf de zijlijn roept – wat wil je nog meer? De pers deelt braaf rapportcijfers uit en wijst keurig de beste debater aan.

Maar waar is het debat over de kwesties die niet in cijfers zijn uit te drukken? Waar is de echte scherpte? Roemer en Wilders mogen dode vulkanen zijn, de issues die ze aanraken, gonzen nog altijd door de maatschappij, niet alleen in de bejaardenhuizen of in de Schilderswijk. Het Britse referendum dwong de Schotse burger tot betrokkenheid, legde een echt heikele kwestie in de schoot van de samenleving. Ik werd er jaloers van.