#103. 22 december

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week: een fragment uit Efter, de nieuwe roman van Hanna Bervoets. Na de introductie van een medicijn tegen verliefdheid, dat Efter heet, vielen meerdere doden.

Laat me jullie vertellen over #103.

18 december, kwart voor negen ’s ochtends: Roya LaFayette loopt het Rheinpark in. Ze draagt een donkerblauwe jas met capuchon en duwt een kinderwagen. Haar tred houdt het midden tussen de zelfverzekerde gang van een wandelaar en de haastige passen van iemand die een trein moet halen: Roya LaFayette stapt stevig door, maar lijkt eerder vastberaden dan bang om te laat te komen.

Over de kinderwagen zit een kap die haar dochtertje, net negen maanden oud, moet beschermen tegen de kou. De baby heeft een muts op; het hoofddeksel bedekt beide oren.

Om negen uur wordt Roya verwacht op haar werk, een verzekeringsmaatschappij in het centrum van Keulen. Wanneer haar manager haar blauwe jas om kwart over negen niet aan de kapstok ziet hangen, probeert hij contact op te nemen met Roya.

Ze blijkt haar Seos te hebben uitgeschakeld.

Op dat moment staat Roya voor de deur van een huis, vijf woonblokken van het park.

Ze belt aan.

Heike Ratz ligt in bed wanneer ze haar deurbel hoort. Ze opent haar ogen, kijkt recht in het verbaasde gezicht van Hamid LaFayette: de man met wie ze de nacht doorbracht.

‘Zal ik opendoen?’ vraagt Heike.

Hamid knikt langzaam.

Zodra Heike de deur heeft geopend, rijdt Roya haar kinderwagen de gang in. Ze loopt Heikes woonkamer door, direct naar de keuken. Daar parkeert ze de kinderwagen voor het aanrecht. En controleert ze nog één keer of de kap goed dichtzit.

‘Wat doe je?’ gilt Heike, maar Roya duwt Heike de keuken uit.

Hamid, die nog altijd in bed ligt, hoort nu het gehuil van zijn dochtertje.

En daarna het gekrijs van zijn minnares.

Wanneer Hamid de huiskamer binnenkomt, ligt Heike op de grond. Naast haar staat zijn vrouw Roya. Met in haar hand zíjn stanleymes.

Daarmee staat de teller nu op honderddrie. En dat zijn slechts de dodelijke slachtoffers. Honderden, duizenden geweldsdelicten worden op dit moment met Efter in verband gebracht. Om nog niet te spreken van de aanrandingen. Deze maand negenentwintig in de regio Kopenhagen alleen, Denemarken registreert de Efterverkrachtingen als enige land apart.

#104, #105, #106, #107: morgen, hooguit overmorgen zal ik over nieuwe slachtoffers moeten vertellen.

Jullie zullen hun portretten voorbij zien komen. Die glimlach, die ogen, het kapsel of kettinkje dat sociale afkomst verraadt en zo jullie mate van mededogen bepaalt: even, heel even maar, zullen jullie ernaar kijken.

Veel langer staren jullie naar de foto’s van de daders.

Omdat jullie je afvragen welke blik er achter dat zwarte balkje schuilgaat. Maar vooral omdat jullie die daders begríjpen.

Zíj waren degenen die wachtten, smachtten, droomden van samenzijn, niet veel meer verlangden dan wederzijdse genegenheid. Zij waren degenen die het langst leden. En dus degenen met wie jullie het meest gemeen hebben. Een deel van jullie zal op den duur zelfs doen wat zij deden. De liefde in eigen hand nemen.

Zo zal de teller blijven oplopen, van #107 naar #1007, naar #10007, naar #100007 – het einde niet in zicht omdat er geen einde is.

Er is alleen een begin. Iets dat het allemaal in gang zette.

Misschien knikken jullie nu, van achter het scherm van jullie Seos of Book. Ja, jullie denken vast te weten wat dat begin was.

Efterslachtoffer #001: het meisje op kamer twaalf. Ze vonden haar in bed, haar kleren nog aan. Ach, jullie kennen de details. Haar verhaal werd keer op keer herhaald, de omstandigheden rond haar dood steeds opnieuw getoond.

Ik, als geen ander, ken deze omstandigheden. Want ík was het die de feiten over het meisje in kamer twaalf verzamelde.

Ze vonden haar op 7 augustus, achttien minuten over zes; er zat geen bloed op de lakens. Er waren geen verwondingen, geen blauwe plekken, geen sneeën in hals of polsen. Geen sporen van handgemeen of verzet.

Op 8 augustus, kwart over negen ’s ochtends, trof men rattengif aan in het bloed van het meisje. Hierop werd ook de beker naast het bed in kamer twaalf onderzocht.

Op 9 augustus stelde men een rapport op. ‘Doodsoorzaak: vergiftiging’, stond daarin.

Ik ben het allemaal nagegaan. Het was inderdaad een hoge dosis warfarine die het hart van het meisje deed stoppen met pompen. Het was alleen niet de doodsóórzaak.

De doodsoorzaak, de oorsprong van het overlijden van het allereerste Efterslachtoffer, lag besloten in een simpel lijstje feiten:

Feit is dat Henk Schrama voorzitter bij de Europese Medicijnenautoriteit is.

Feit is dat Henk Schrama de vader van Heleen Schrama is.

Feit is dat Heleen Schrama de moeder van Meija is.

Feit is dat Robert Domen de partner van Heleen Schrama is.

Feit is dat Robert Domen en Pete Kamp elkaar op 26 mei jongstleden troffen.

Feit is dat Pete Kamp en Katinka Asselbergs getrouwd zijn.

Feit is dat Katinka Asselbergs slot Jagthof bezit.

Feit is dat Katinka Asselbergs en Heleen Schrama elkaar op 5 juli de hand schudden.

Feit is dat men op 7 augustus een dood meisje in kamer twaalf vond: #001, het slachtoffer met wie het allemaal begon.

Sommigen van jullie menen nu: dit is een reeks toevalligheden.

Maar ‘toeval’ is de leus van de luilakken, een vrijbrief voor hen die hun verantwoordelijkheden ontduiken. Ik doe dat niet, ik neem mijn verantwoordelijkheid voor alles wat ik tot nu toe gedaan heb. En ik ben ervan overtuigd dat mijn keuzen de juiste waren.

Ja, wat jullie ook zeggen, wat jullie ook denken, hoeveel dode ratten jullie ook op mijn deurmat leggen: ik heb gedaan wat ik moest doen. Ik heb de feiten bijeengebracht, geordend en uitgestald. En ieder die mij nalatigheid blijft verwijten, raad ik aan deze feiten nogmaals te bekijken. Om dan, voor altijd, te zwijgen.

realm: laura horst

peasants: 10.014

buys: 15.019

price: 0,75