Zonder menselijkheid dreigt de hel

Uit twee boeken van Vasili Grossman, die voor het eerst in het Nederlands zijn vertaald, blijkt opnieuw zijn ontgoocheling over het communistische regime waar hij als schrijver zoveel aan te danken had.

Vasili Grossman als oorlogscorrespondent van het oprukkende Rode Leger in Duitsland, 1945

Maar weinigen hebben het wezen van een totalitair systeem zo subtiel verwoord als de Russisch-Joodse schrijver Vasili Grossman (1905-1964). De Nederlandse lezer besefte dat pas goed toen in 2008 zijn epische roman Leven en Lot in een prachtige vertaling van Froukje Slofstra verscheen. Het boek was in Rusland tot twintig jaar na Grossmans dood verboden. De geheime politie had het manuscript in 1961, samen met alle aantekeningen en kladversies, in beslag genomen, omdat Grossman daarin het stalinisme op een lijn stelde met het nationaal-socialisme.

In Leven en lot beschrijft Grossman behalve het leven aan het front in Stalingrad en het lot van Russische krijgsgevangenen in een Duits concentratiekamp ook de moord op de Oekraïense Joden door de nazi’s aan de hand van de moeder van Grossmans held, de kernfysicus professor Strum. Het hoofdstuk waarin die moeder kalm de gaskamer binnenstapt en zich laat vermoorden, zou verplichte kost voor iedere antisemiet moeten zijn, omdat het hem laat voelen hoe verwerpelijk en onzinnig racisme is.

Deze maand verscheen Een klein leven, een eveneens door Slofstra mooi vertaalde verzameling verhalen, essays en brieven. In het boek komen alle elementen van Grossmans grootse schrijverschap bijeen. Wat opvalt is hoezeer Grossman beïnvloed is door Tsjechov: zijn stijl is even helder en eenvoudig en ook hij schrijft bij voorkeur over gewone mensen.

Hetzelfde zie je in het eveneens net vertaalde Reis door Armenië (1962), dat een soort testament is waarin Grossman laat zien waar het voor hem in het leven om draait: menselijkheid, schoonheid en het genieten van de kleine dingen des levens. Omdat de Armeniërs die hij op zijn pad treft amper Russisch spreken en hij weinig opwindends meemaakt, ervaart hij die voorkeuren des te sterker en neemt zijn bewondering voor dit door Rusland geknechte, waardige volk met de dag toe, wat hij vaak ontroerend weet te beschrijven.

De verhalen en reportages uit Een klein leven zijn echter veel sterker. Ook omdat je eruit op kunt maken hoe Grossman heen en weer wordt geslingerd tussen zijn bewondering voor en zijn afkeer van het communisme. Zo gaat het eerste verhaal, In de stad Berditsjev, over politiek commissaris Vavilova, die tijdens de Pools-Russische oorlog van 1919-’20 zwangerschapsverlof opneemt en haar bataljon verlaat. Ze vindt onderdak bij een arm Joods gezin in het Oekraïense stadje Berditsjev, dat al veertien keer in andere handen is overgegaan. Daar baart ze haar zoontje, een ‘onbenullige klomp roodblauw vlees’, waar ze geleidelijk aan van gaat houden.

Fanatieke communiste

Grossman laat haar bij dat Joodse gastgezin veranderen van een fanatieke communiste in een liefhebbende moeder. De kille ideologie maakt plaats voor menselijkheid. Maar als de stafchef haar bezoekt om over het verloop van de strijd te vertellen, wordt Vavilova opnieuw bevangen door oorlogsroes en idealisme. Ze voegt zich bij haar kameraden, haar kindje achterlatend.

In het verhaal ‘Een jonge vrouw en een oude vrouw’ beschrijft Grossman een ontmoeting tussen twee partijfunctionarissen, die per trein naar een kuuroord op de Krim reizen. Opnieuw belicht hij de tegenstelling tussen kille ideologie en menselijkheid door over een van beide vrouwen te onthullen dat haar schoonzoon en dochter in 1937, het jaar van Stalins Grote Terreur, zijn gearresteerd. Die schoonzoon is waarschijnlijk vermoord, haar dochter zit in de goelag. De lieflijkheid van het Oekraïense landschap waar die trein door rijdt, brengt Grossman op die manier in contrast met de gruwelijke werkelijkheid, het idealisme van het begin van het communistische regime met het paranoïde cynisme van 1937. Het is precies die tweespalt, die hem zelf kwelde: een deel van zijn vrienden en familieleden was in de jaren dertig gearresteerd en geëxecuteerd, terwijl hijzelf als ambitieuze jonge schrijver het Sovjetregime dankbaar was voor de kansen die het hem had geboden en die hij onder de antisemitische tsaren nooit zou hebben gekregen.

Het tijdens de Tweede Wereldoorlog geschreven ‘De oude onderwijzer’ is het hoogtepunt in deze bundel. Hoofdpersonen in dit aangrijpende verhaal zijn twee hoogbejaarde Joodse mannen, die elkaar al vijftig jaar kennen: de 82-jarige zieke onderwijzer Boris Rosenthal, die zijn dagen slijt op een bankje op de binnenplaats van zijn huis waar hij ‘het wonder van de menselijke goedheid’ probeert te begrijpen, en de 86-jarige dokter Weintraub. Beiden hebben niets meer te verliezen. Als de Duitsers in 1942 hun stadje bezetten is het de erudiete Rosenthal die meteen begrijpt dat dit voor de Joden het einde betekent, terwijl dokter Weintraub meent dat het wel mee zal vallen.

Tussen die twee standpunten in wringt zich de collaboratie van hun notabele stadsgenoten, die hun communistische tooi afwerpen en zich als nazivriendjes manifesteren, bereid om ter verbetering van hun lot hun Joodse buren te offeren. Rosenthal wil aanvankelijk vergif innemen, maar raakt zo gefascineerd door wat hij om zich heen ziet, dat hij tot aan het massagraf wil meemaken wat er gebeurt.

Terwijl de onderwijzer tot aan zijn executie het leven voortzet, pleegt dokter Weintraub met zijn vrouw en dochter zelfmoord, nadat hij de Duitse stadscommandant, die de Joodse bevolking van het stadje zal uitroeien, van een aanval van angina pectoris heeft gered. De scène waarin de dokter afscheid neemt van de onderwijzer, is hartverscheurend, zowel in zijn nuchterheid als in zijn acceptatie van de dood.

Die nuchterheid verklaart ook waarom je Grossmans reportage De hel van Treblinka, over het vernietigingskamp waar zo’n drie miljoen Joden door de nazi’s zijn vermoord, gefascineerd kunt uitlezen. Ook hier wordt heel zakelijk bericht over wat hij ziet en van de schaarse overlevenden hoort. Oordelen doet hij niet; maar door het kamp als een levend organisme te beschrijven benadrukt hij de onmenselijkheid ervan en laat hij zelfs de stenen spreken. Zo leidt hij je rond in de hel, waar schaterlachende sadisten het lijden van hun slachtoffers zo lang mogelijk proberen te rekken. De in deze bundel ook opgenomen ‘postume’ brieven uit 1950 en 1961 aan zijn vergaste moeder worden er nog schrijnender door.

Ontgoocheling

Na 1945 zie je Grossmans definitieve ontgoocheling over het Sovjetsysteem in zijn verhalen terug. In Mama (1960) laat hij de Grote Terreur van 1937 zien door de ogen van een weesmeisje dat door Stalins beul Jezjov en zijn vrouw wordt geadopteerd. De hele Sovjetelite komt bij het echtpaar over de vloer, van Stalin, Molotov en Beria tot Isaak Babel. Maar de terreur dunt ook die rangen steeds verder uit en verslindt uiteindelijk ook Jezjov en zijn vrouw. Het meisje belandt hierna opnieuw in een kindertehuis, waar ze weigert haar pleegouders te verloochenen.

Door die gebeurtenissen vanuit het nuchtere perspectief van dat onschuldige meisje te vertellen wordt de gruwelijkheid van die periode nog beangstigender. En precies dat maakt Grossmans verhalen zo fascinerend en groots.