Verrassing met een rollator

Zondag is het Wereld Alzheimer Dag, daarom een extra aflevering van Tosca Niterinks serie over zeven dames op leeftijd die voor hun eigen veiligheid achter een cijferslot wonen.

Mevrouw Glims en mevrouw Niterink: „We zijn vriendinnetjes.” Foto Anita Janssen

Het is de 21ste Wereld Alzheimer Dag, dus dat moet ik samen met mijn moeder vieren. Mijn moeder heeft ter ere van Wereld Alzheimer Dag met een koekenpan een raam van draadstaal ingeslagen. „Ze heeft zichzelf gelukkig niet bezeerd en ook niemand anders, alleen dat raam”, zegt de zuster, „Nu ja soit. Annemarie van Haaren is vanmiddag opnieuw bij haar langs geweest, zo leuk!”

„O wat leuk!”, roep ik verrast.

Annemarie wilde dolgraag bij mijn moeder op bezoek. Ze mailde me vanaf haar iPad. „Ik ben een schoolvriendin van je moeder en ik heb je boek gelezen en herken haar er helemaal in.”

„Het zou wel eens kunnen tegenvallen”, waarschuwde ik haar, „ze is niet meer wie ze was, is de laatste tijd erg achteruitgegaan, geestelijk en lichamelijk. Misschien herkent ze je helemaal niet, misschien wordt ze wel boos op je. Ze kan soms agressief worden.

„Ik zie het niet meer, maar voor iemand als jij, die haar kent van vroeger, ziet ze er toch raar uit. Met zelfgeregen kettingen om en een tas vol tandenborstels en zonnebrillen. Ze draagt glimschoenen – die zoekt ze zelf uit – loopt krom, let niet meer op haar figuur en mist een paar tanden, wat ze zelf niet in de gaten heeft dus we laten het maar zo.”

„O, dat maakt me allemaal niet uit”, mailde Annemarie.

„Laat ik toch maar met je meegaan, kan je daarna altijd nog een keer alleen terugkomen.”

„Mam, ik heb een verrassing voor je meegenomen”, riep ik een paar dagen later opgewonden toen we door de gang naar de gemeenschappelijke woonkamer liepen. Ik struikel bijna over mijn woorden, Annemarie snelwandelde met haar rollator achter me aan. In mijn enthousiasme was ik sneller gaan lopen, moest moeite doen om niet te gaan rennen, maar het laatste stuk had ik de sprint ingezet. Annemarie hijgde achter me aan. „Mam”, riep ik, „ik heb een verrassing voor je, Annemarie van Haaren! Ken je Annemarie van Haaren nog?”

Mijn moeder stond op. „Natuurlijk”, zei ze rustig en er verscheen een glimlach van herkenning op haar gezicht, zoals ze vroeger glimlachte toen ze de dingen nog met haar hele wezen besefte. Ze spreidde haar armen uit. De twee hoogbejaarde vrouwen vielen elkaar na 75 jaar in de armen. Ik kreeg een brok in mijn keel toen ik ze zo zag staan.

„Je bent helemaal niks veranderd”, zei Annemarie.

„En jij mam”, vraag ik, „herken jij Annemarie van Haaren?”

„Nee”, zei ze, „die haal ik er niet een twee drie uit. Maar hoe is het met je?”

„Prima”, zei Annemarie van Haaren, „beetje oud geworden alleen.”

„En wat ik me afvraag”, vroeg mijn moeder, „hoe is het eigenlijk met Annemarie van Haaren?”

„Mam! Dit is Annemarie van Haaren!”

„Het was zo’n leuke meid”, vertelde mijn moeder, „we hebben samen in de klas gezeten en altijd vreselijk gelachen!”

„Ja nou”, beaamde Annemarie van Haaren , „en we lazen Joop ter Heul.”

„Joop ter Heul!”, roept mijn moeder uit, „en Annemarie van Haaren, zie je die nog wel eens.”

„Elke dag”, zuchtte Annemarie van Haaren, „ik sta ermee op en ik ga ermee naar bed.”

„Wat leuk”, zeg ik tegen mijn moeder, „dat Annemarie van Haren is langs geweest.”

„Ik heb haar niet gezien”, zegt mijn moeder, dan loopt ze naar mevrouw Glims en pakt haar teder bij de hand. „We zijn vriendinnetjes”, zegt mevrouw Glims en dan tegen Annie, „ik zou daarom best een piepklein fotootje willen van haar voor op mijn kamer.”

„We hebben samen in de klas gezeten”, zegt mijn moeder, „we hebben altijd zo vreselijk gelachen.”