Samuel Beckett is de baarlijke duivel

We weten niet of de donkere dagen nog een dijenkletser opleveren, maar voorlopig is Teatro Olimpico de geestigste roman van 2014. Met ruime voorsprong.

De tiende van Kees ’t Hart is vormgegeven als een verantwoordingsrapport waarin de theatermakers Kees en Hein uit de doeken doen hoe hun in elk geval financieel rampzalig uitgepakte deelname aan een Rousseau-festival in Vicenza is verlopen. De hoofdpersonen hebben een voorstelling over Jean-Jacques Rousseau gemaakt en zijn op basis daarvan uitgenodigd om in het legendarische Teatro Olimpico te komen spelen.

De mannen – en dat is de stuwende kracht in de roman – stuiteren van de artistieke eigendunk, die samengaat met grenzeloze wereldvreemdheid. Door dat laatste zijn ze onophoudelijk van goed vertrouwen, maken ze veel te grote bedragen over naar personen van wie ze de naam amper hebben verstaan en klampen ze zich vast aan beweringen dat deze of gene een zeer belangrijk man is ‘in het theaterleven op de Po-vlakte’. Dat ze geen Italiaans spreken (en belabberd Engels) maakt het slapstickgehalte nog groter. Bij de spraakverwarringen komen andere praktische bezwaren: ze vervoeren hun veel te grote, zelf in elkaar geknutselde decor in een gehuurde vrachtwagen (die stuk gaat), mogen de camping niet op en de binnenstad niet in – en is het eigenlijk wel toegestaan om lijm te gebruiken in het kwetsbare Teatro Olimpico? Dat geaarde stopcontact zal er toch wel zijn?

De logistieke strubbelingen vallen in het niet bij het artistieke drama. Dat wordt gestuurd door de diep-ernstige toneelopvatting van het duo. Zij zijn tegen vrijwel alles wat theater toegankelijk maakt: verwijzingen naar de historische Rousseau in de voorstelling zijn hen een gruwel, net als een verhaal. Het draait om de ‘banaliteit’ en ‘bleekheid’ van de filosoog, die op het toneel staat tussen kasten met voorwerpen en een ‘woordmachine’.

Er is maar één ding afschuwelijker dan verhalend theater: existentialistisch betekenistheater. Evidentie is het ergste wat een theaterstuk kan overkomen. Samuel Beckett is dan ook de baarlijke duivel. Als de Kees en Hein iemand ervan verdenken ooit iets vriendelijks over Beckett te hebben gezegd (of gedacht), komt de betrokkene op de zwarte lijst. Geweldig zijn hun tirades tegen vermeende artistieke vijanden, waarbij de een na de ander als ‘evidentielul’ wordt weggezet.

In de praktijk zie je hun artistieke fundamentalisme verkruimelen. Spraakverwarring, cultuurverschillen en de meer publieksgerichte impulsen van de Italianen maken dat er steeds minder overblijft van het oorspronkelijke stuk. Maar aan hun eigen ijdelheid kunnen ze geen weerstand bieden: de begeerlijkheid van het Teatro Olimpico staat buiten discussie.

Zo kun je deze roman lezen als een klucht, waarin je medelijden zou moeten hebben met de antihelden, maar waarin het net te leuk is om ze nóg een keer de neus te zien stoten (en dan nog een keer). Maar het is méér dan de Dikke en de Dunne: Teatro Olimpico is ook een satire op het autisme van modern Hollands theatervolk. En, voor wie wil, toont het hoe kunstenaars onder druk van de buitenwereld altijd compromissen sluiten. En zelfs een boek over doorzettingsvermogen, want de voorstelling komt er wèl. En er staat best veel over Rousseau in het boek.

Maar al die betekenissen kunnen maar beter onbenoemd blijven, voor je het weet ga je als ‘evidentielul’ de boeken in. Eerst nog heel vaak heel hard lachen.