Pas de deux

‘Ik voel me heel volwassen”, zegt mijn vriend en hij neemt een slok van zijn champagne. Voorzichtig, want zijn manchetknopen zijn lastminute geïmproviseerd met van die sliertjes waar je normaal een vuilniszak mee dichtbindt. We zijn op het gala van het Nationale Ballet en hoewel ik begrijp wat hij bedoelt (we zijn als grote mensen naar de hoge kunsten aan het kijken) voel ik me, als het licht dooft, juist weer een klein meisje. Mijn oma en mijn moeder zijn allebei ballerina geweest. Een van mijn vroegste herinneringen is dat ik – het moet 1987 geweest zijn – met hen beiden hier naar Assepoester van het Nationale Ballet ging.

De Stopera was toen nog gloednieuw. Ik zie mezelf (en hen!) nog uitgelaten rondjes dansen op die stenen ring die aan de voorkant uit de grond omhoog lijkt te komen. Waarschijnlijk speelde ik dat ik Jane Lord was, de prima ballerina van dat moment en dwong ik mijn oma en moeder om het corps du ballet voor hun rekening te nemen.

Die matinees, en later die avonden waarop ik in De Stopera naar Het Nationale Ballet ging kijken, naar Het Zwanenmeer, naar Sleeping Beauty, naar De Notenkraker en ook naar moderne balletten van Hans van Manen, waren stuk voor stuk hoogtepunten uit mijn leven, vooral omdat ze me een glimp gaven van het leven dat nog moest komen, want later zou ik daar natuurlijk ook dansen. In de hoofdrol. En dus deed ik braaf eindeloos veel plié’s en relevé’s, tendu’s en jeté’s op balletles, vaak op obscure plekken in de stad waar het hoe dan ook altijd naar ontsmettingsmiddel en zweet rook.

Ongeveer elk klein meisje op aarde heeft wel een tijdelijke balletaanval. Alleen hield die bij mij vrij lang niet meer op, ook niet toen ik al lang door had dat ik nooit het niveau van Mascha ter Weeme zou bereiken naar wie mijn ouders me nog hoopvol vernoemd hadden (zij het dat mijn vader toen het erop aankwam niet zo goed meer kon spellen).

Ik hield van mijn voeten vernachelen, van de discipline, van de gezelligheid bij balletjuf Marieke op de Leidsekade en ik genoot als de studio een kleedkamer werd van waaruit we met de hele balletschool in een flamboyante kolonne, met spitzen in de hand, over de kade naar De Krakeling paradeerden om daar een voorstelling te geven.

Uiteindelijk ben ik toch maar gestopt. Ik weet niet eens meer wanneer dat was of waarom precies, wel dat het met pijn in mijn hart was. In die oude balletstudio kwam een kickboks ‘dojo’, dat maakte de beslissing in elk geval vrij definitief. Het ruikt er nu ongetwijfeld heel anders.

Uit deze overpeinzingen schrik ik op tijdens de verpletterende pas des deux van Jurgita Dronina en Isaac Hernández, de sterren van het gala. J klapt zijn imitatiemanchetknopen uit zijn mouwen. Ik klap nóg harder. „Geen spijt?”, vraagt hij schalks en hij knikt naar het podium waar de dansers buigen. Er dwarrelt confetti op hen neer. „Nee joh, ik schrijf hier liever een stukje over”, lieg ik volwassen.