Niet meer weten waar je thuishoort

De ontworteling van eenvoudige dorpsbewoners door de maalstroom van de tijd is het belangrijkste thema van deze klassieke Noorse roman die zich afspeelt rond het jaar 1900.

Het dorp Fagerstrand in de Noorse provincie Akershus, rond1900 Foto Galerie Bilderwelt

Hoe zit de wereld in elkaar? Niet zoals kinderen denken, merkt de jonge Edevart meteen al in de openingsscène van Knut Hamsuns roman Zwervers (1927). In Polden, het dorpje waar hij woont, komen een vrijwel blinde orgelman en zijn kameraad langs. De orgelman krijgt klappen van zijn metgezel. En dan springt Edevart de roman binnen: dertien, onbedorven, vol rechtvaardigheidsgevoelens. Hij gaat de gewonde orgelman achterna als die het dorp verlaat, na door alle dorpelingen royaal te zijn onthaald. Maar als de orgelman zijn schurkachtige begeleider weer tegenkomt, leert Edevart zijn eerste lesje over de wereld buiten het dorp: het blijkt allemaal doorgestoken kaart, de orgelman is niet blind, de metgezel slaat hem niet echt, ze verdelen gewoon de buit en trekken verder. En dan leren we Hamsun ook kennen, want die schrijft: ‘Wat moesten ze anders? Het waren mensen en ze krabbelden voort, ze pasten zich aan de omstandigheden aan en leefden tot ze stierven.’

Een beetje bedriegen hoort erbij, een mens moet toch leven. Heel rechtvaardig en eerlijk zijn is misschien wat onnozel. Of dat Hamsuns diepste overtuiging is, weet ik niet, maar hoe dan ook: in dit boek verliest iedereen illusies. Niet alleen als het over eerlijkheid gaat, maar vooral als het over tevredenheid gaat, over thuiszijn en weten wat je met je leven wilt. Want dat is het eigenlijke onderwerp van dit boek: de ontworteling, door de maalstroom van de tijd, van eenvoudige mensen in kleine dorpjes en op afgelegen plekken aan de Noorse kust, eind negentiende, begin twintigste eeuw. Ze trekken de wijde wereld in, verdienen nu eens veel dan weer weinig, volgen soms de lokroep van Amerika waar de mogelijkheden groot zijn, en weten uiteindelijk niet meer waar ze thuishoren of hoe ze moeten leven.

Tussenkop

Hamsun laat dat op allerlei manieren zien. De tegenspelers van Edevart zijn enerzijds een zekere August, een fantast en een opsnijder, die veel van de wereld heeft gezien en van alles heeft geleerd. Het tekent Hamsuns begeesterde vertelwijze dat August geen eendimensionale figuur is. Dat vrees je even als hij wordt geïntroduceerd, met zijn gouden tanden en belachelijke verhalen over onmetelijke rijkdommen die hij in Voor-Indië achter gelaten zou hebben. Maar hij blijkt wel degelijk van alles te kunnen en goed aan te pakken, zoals de drooglegging van het moeras dat Polden veel narigheid bezorgt. Ook blijkt August een geschikte marskramer, een bijwijlen harde werker, een bekwame schipper en een verdienstelijk accordeonist te zijn. Maar vooral is hij een bron van plannen en ideeën, en dus van onrust.

Aan de andere kant van Edevart staat zijn pientere, jongere broer Joakim, die zijn hersens gebruikt om in Polden iets op te bouwen. Hij houdt Edevart voor, als hij eenmaal volwassen is en een boerderij heeft en land en een goedlopende winkel waar zijn zuster het bewind voert, dat het beter is om te blijven waar je hoort.

Moet je hier dan blijven leven zoals sommige andere dorpelingen, vraagt Edevart. Ja, vindt Joakim; de dorpsgenoten die Edevart noemt hebben heel wat opgebouwd. ‘Bovendien,’ zegt hij ‘hebben zij vrede met hun leven en dat heb jij niet. Als zij ’s avonds naar bed gaan, slapen ze.’

Dat is het punt. Edevart heeft geen vrede met zijn leven. Langzaam maar zeker wordt hij een door de wol geverfde schipper en handelaar, hij staat zijn mannetje, sjoemelt een beetje, heeft wat avontuurtjes en ontmoet de vrouw op wie hij dodelijk verliefd wordt. Maar zij is getrouwd en heeft twee kinderen. Haar man zit in de gevangenis, zij heeft het arm op haar kleine boerderijtje. Edevart en zij beleven een hevige, smartelijke liefde, want de man komt al spoedig weer vrij.

Deze Lovise Magrete is ook zo’n eenvoudige vrouw die gelukkig is met haar bestaan. Ze laat Edevart haar schuur zien met voorraden, wat meel, een zondagse jurk, een paar lamsvellen, en vindt zelf dat ze hem enorme rijkdommen toont.

Tussenkop

Edevart, dan nog jong, vindt dat ook. Maar dat geluk blijft niet: Lovise Magrete vertrekt naar Amerika. Als ze terugkeert is ze veranderd. Ze is ontworteld, voelt zich niet meer thuis op het armelijke boerderijtje en ergens anders evenmin.

Edevart vergaat het onderweg net zo. Als marskramer en als schipper verlangt hij naar Polden. Maar als hij daar weer is, blijkt het dorpje, uiteraard, veranderd en treft hij niet meer de trouwhartige armoede aan die hij achter heeft gelaten. De wereld heeft ook in Polden huisgehouden en de mensen zijn er ineens rijk en lui. De volgende keer zijn ze weer arm, maar niet meer tevreden.

Zwervers gaat, behalve over sociale veranderingen, toenemende handel en het verlangen naar rijkdom, ook over de kunst van matigheid en tevredenheid. De mensen die worden voorgesteld als gelukkig, zijn degenen die niet wegtrekken en durf en ondernemingszin tonen, naar hun eigen maat. Degenen die hard werken en trouwen met een leuk meisje uit het dorp, degenen die een stal bouwen voor iets meer koeien dan ze al hebben en ervoor zorgen dat die koeien er ook komen. De anderen zijn scharrelaars en schooiers, die nooit iets anders zullen worden, of ze zijn voorgoed ontheemd, niet alleen in hun dorp, maar in hun hele leven: ‘Ook in de liefde waren ze landverlaters geworden.’

Hamsuns taal is rond, vol en doeltreffend, hij bemoeit zich voortdurend met zijn verhaal, op een ferme en vaak wel geestige manier, hij laat de lezers meteen weten wat hij op een bepaald moment van een personage vindt – ‘die donderse, jolige meid’ – en is er niet op uit ze te gronde te richten. Ze kennen voor- en tegenspoed, ze lachen, zijn chagrijnig of driftig of verliefd. Ze leven. Maar thuiszijn, dat is maar voor weinigen weggelegd.