Lees een fragment uit ‘inktzwarte’ nieuwe roman van Philip Huff

‘Zo somber zie je het zelden’, schrijft boekenredacteur Arjen Fortuin over het vandaag te verschijnen Boek van de doden, de derde roman van Philip Huff (1984). In het boek rouwt hoofdpersoon Felix Post over een verloren liefde.

Die nadruk op de diepe rouw van Post maakt het boek volgens Fortuin ‘beklemmend’. En sterk. Fortuin:

‘De grote kracht van Boek van de doden zit in de ijzeren consequentie waarmee Felix Posts bestaan wordt geschetst, waarbij lichamelijk en geestelijk ongemak gelijke tred houden.’

De roman speelt zich af in tien dagen rond kerst en opent met Post die in diepe rouw is over zijn grote verloren liefde Victoria. En er is meer ellende. Het geld dat hij als schrijver met zijn boeken heeft verdiend is op, andere opdrachtgevers hoeven hem niet meer, zijn laptop wordt gestolen en hij propt zich vol met coke, heroïne, antidepressiva, pijnstillers, overige chemicaliën en drank.

Of Boek van de doden een persoonlijk boek is, weet Huff niet goed. Dat zegt hij vandaag in een interview met Thomas de Veen, in nrc.next:

“Ik schrijf boeken over dingen die mij bezighouden, ik merk dat dat gewoon gebeurt.”

Biografische gegevens gebruikt Huff naar eigen zeggen uit gemak en zorgvuldigheid:

“Als ik schrijf heb ik één regel: dat het moet kloppen. Het soort mensen waar ik over schrijf moet zeggen: ja, zo is het. En het enige waar ik echt expert in ben is mijn eigen leven. Maar hopelijk…het is niet de bedoeling dat het alleen over dit leven gaat.”

Fragment uit Boek van de doden van Philip Huff (p. 20-24)

De pijn van mijn bovenarm straalt nu ook uit naar mijn schouder. De huizen van de Vijzelgracht trekken aan ons voorbij. Hier en daar zijn nog lampen aan.
Mijn neus is een schoorsteen voor hete lucht, mijn borstkas de korf waarin de kolen gloeien. En mijn hart bonkt hoog en hard en hevig in mijn hals, op de vlucht voor de hitte.
De drugs zijn als een druppel inkt in een glas water en geven nu kleur aan mijn gedachten.
Op de Stadhouderskade zeg ik tegen de taxichauffeur: ‘Kunt u hier rechtsaf gaan?’

De lobby van het hotel op de Prinsengracht is hoog en groot en licht. Het is een van de weinige hotels waar ik niet met Victoria ben geweest. De liftschachten zijn van glas gemaakt; een zwart, metalen mechaniek schuift langzaam omhoog. In de stoelen van de lounge zitten vier mensen. Amerikanen, zo te horen. Ik heb moeite met de twintig stappen naar de receptie. Het is heel licht in mijn hoofd en ik heb het warm, mijn hart slaat zo snel dat het amper bloed rondpompt.
‘Goedenavond,’ zeg ik tegen de vrouw achter de balie. ‘Vannacht wilden wij de romantiek hoogtij laten vieren.’ Ik ben blij dat ik iets heb om tegenaan te leunen, want ik klink bijna buiten adem. Ik kijk kort over mijn schouder, naar Hannah, die nog bij de schuifdeuren naar een of andere foto staat te kijken. ‘Wat wij ons afvroegen,’ zeg ik, ‘is of u nog kamers heeft.’
De vrouw knikt. Ze draagt een zwart mantelpak. ‘Wilt u uitzicht op de binnentuin of op het water?’
Hannah komt naast mij staan.
‘Zeg het maar,’ zeg ik. ‘De tuin of het water?’
‘Het water,’ zegt ze, en ze lacht.

Hannah zegt dat het de mooiste hotelkamer is die ze ooit heeft gezien. Ze trekt de deuren van de kledingkast open. Er hangen twee badjassen van het hotel. Nu staat ze voor het raam en kijkt naar buiten. ‘Moet je kijken,’ zegt ze. Ze heeft haar kleren nog aan, maar ze zijn al uit. Morgen wordt geen mooie dag. Ik ben de slechtste ex-minnaar van de stad.
Ik open de deur naar de badkamer. In mijn broekzak zoek ik naar het boterhamzakje van Seth. Het badkamermeubel is koud. Het valt me nu pas op hoe nat mijn handen zijn. De boord van mijn shirt is ook nat. Hannah vraagt of ik wil douchen. Ze kijkt om van bij het raam. Ik schud mijn hoofd. ‘Ik moet even naar de wc,’ zeg ik, en ik duw de deur dicht.
Ze heeft mooie voeten. Een fijne lach. Ik kijk naar de dichte deur en dan weer naar mezelf in de spiegel en leun voorover. De waterglazen onder de spiegel blinken. Er liggen schone handdoeken op het rek. Negentien jaar oud is volwassen. Negentien jaar is goed. Achter de deur gaat muziek aan.

Het gele straatlicht valt door de opening tussen de gordijnen de hotelkamer in. Hannah zit naakt in de grote stoel, ze bijt op haar onderlip. Ze zet haar hielen op de rand van het zitvlak.
‘Ik wil dat je met jezelf speelt…’ zeg ik.
Ze brengt haar hand naar beneden. Naast haar schaambeen zit een tatoeage. Vita, staat er.
‘Eh, eh,’ zeg ik. ‘Eerst die oorbellen uit.’
Haar handen gaan weer omhoog. Haar kleine tepels zijn hard. Ze doet voorzichtig haar oorbellen uit, legt ze naast zich neer op een tafeltje. De stoel is groot; Hannah zakt er bijna in weg. Ze is een meisje en de rugleuning komt tot ver boven haar hoofd. Op de achtergrond speelt ‘Get Lucky’ op haar iPod: ‘We’re up all night ’til the sun, we’re up all night to get some.’
‘Nu. Opnieuw.’
Hannah maakt de toppen van haar vingers nat met haar tong. Ze glinsteren.
Nu. Opnieuw. Ik hoor mijn eigen woorden heel duidelijk. En iemand zingt met vreemde beklemtoning: ‘We’re up all night for good fun. We’re up all night to get lucky.’
Haar kutje is klein en kaal en ze duwt voorzichtig haar schaamlippen opzij.

Aan het einde van de dag had ze de gewoonte de dag in één zin samen te vatten, soms zelfs met een enkel woord:
5 maart: Ja.’ Of: ‘Donderdag 6 maart: Nee.’ ‘Zo’n lange vrijdag breekt altijd weer mijn hart.’ ‘Morgen wordt een mooie dag.’
Ik loop door het Heidebos op Borgloo, ik lig op een bed in een hotelkamer in Amsterdam en ik denk: twee gram. Vier pillen. Een vinger ketamine. Achttien sigaretten. En viagra. ‘Morgen wordt een mooie dag.’
Dat is het ook. Leven.

Hannah heeft een platte buik; de buikspieren zijn te tellen, haar navel is een klein, rond gaatje. Het laken ligt over haar lendenen als bij een Grieks standbeeld of een Romeinse kopie.
‘Vond je het lekker?’ vraagt ze.
Ik knik.
‘Ik vraag het omdat je niet klaarkwam…’
‘Dat lag niet aan jou. Het was de coke, denk ik.’ Mijn lul is eindelijk minder hard aan het worden. Mijn ballen zijn van steen.
Hannah draait op haar zij. Ze zegt dat het fijn is dat ik geen baard heb. ‘Dat is lekker zoenen. Iedereen heeft tegenwoordig een baard.’ Ze gaat met haar vinger over mijn kin en mijn hals naar beneden. Haar vingernagels zijn lang en prachtig gevormd. Ze vijlt, denk ik. Hannah eindigt bij het litteken op mijn borstbeen. ‘Deed het pijn?’
Ik haal mijn schouders op. ‘Valt mee.’ Mijn stem klinkt ijl en ver weg.

Ik word wakker om twaalf uur. Een man met een Werner Herzog-achtige stem praat over de begindagen van zijn muziekcarrière. Ik heb twee gemiste oproepen van Johan. Ik haal het plastic zakje van Seth en mijn sleutelbos uit mijn broek over de stoel bij het bureau, loop naar de badkamer en leg het zakje op het zwartmarmeren badkamerblad.
Mijn lul is schraal en rood en hij doet pijn. Onder mijn voorhuid vervelt de huid. Het ziet eruit als nat, stuk gewreven papier. Het pissen duurt eindeloos. Nadat ik heb doorgetrokken, neem ik met mijn huissleutel de twee laatste, grote snuiven.
Hannah slaapt nog als ik de kamer binnenkom, of ze doet alsof. Ik open de minibar en pak een flesje water uit de deur en een reep van het een of ander van de plank daarboven. Ik trek de verpakking open. Ik draai de muziek omhoog.

Buiten is het een heldere winterdag met een ongewoon felle zon. Hannah loopt met me mee naar de hoek van de Runstraat. Ze draagt haar avondkleding weer, maar het valt niet op, door haar jas. Ondanks de zon is het koud. Het komt door de wind.
‘Je gaat me niet om mijn nummer vragen, hè?’ vraagt Hannah. Ze speelt met de duim van haar hand, zoals de wind met haar haar speelt, een beetje onrustig.
‘Nee,’ zeg ik. ‘Ik denk het niet.’
‘Oké,’ zegt ze. ‘Ik vond het heel gezellig.’ En ze gaat op de toppen van haar tenen staan en geeft me een zoen. Ik kijk hoe ze terugloopt naar het hotel, dan voorbij de ingang gaat en verderop een hoek omslaat, het Molenpad in.

De derde roman Boek van de doden van schrijver Philip Huff verschijnt vandaag bij De Bezige Bij.