KCO-chef Mariss Jansons dirigeert olijk en uitgelaten

Vrolijk, zelfs uitgelaten begint Mariss Jansons aan zijn laatste seizoen als chef van het Koninklijk Concertgebouworkest. Alsof een last van zijn schouders valt, zo zorgeloos zette hij woensdag Rossini’s Ouverture ‘La gazza ladra’ in. Nog olijker zwaaide Jansons mee in Sjostakovitsj’ Concert voor piano en trompet.

Dit cartooneske stuk van Sjostakovitsj bevat veel humor à la Rossini, met snelle montages en komische citaten van Haydn tot het volksdeuntje Poor Jenny is a-weeping. De schijnbaar frêle pianiste Yuja Wang fladderde flitsend over de toetsen, liet de bassen dreunen en de hoge noten metalig schallen.

De keerzijde van haar virtuositeit: te weinig scheiding tussen hoofd- en bijzaak, en fragmentatie van lyrische lijnen. In het mild tragische Lento sprak KCO-trompettist Omar Tomasoni op zijn gedempte instrument veel directer tot het hart. De spontaan herhaalde finale was niettemin aanstekelijk.

Een serieuzere zaak is de Vijfde symfonie (1944) van Prokofjev. Fraai combineert die emotioneel uitwaaierende melodieën met schokkerige ritmiek. Vooral de tedere violen, soepele klarinet en de versnelling in het Allegro marcato maakten indruk.