In het echt valt iedereen tegen

Ontheemden bevolken de romans van Huff en Heerma van Voss. Bij Huff weet een late twintiger niet hoe hij uit het leven moet komen, bij Heerma van Voss zijn het veelal vroege twintigers die niet weten hoe ze het echte leven ín moeten.

‘Mag ik de recensies samenvatten als “somber stemmend met volmaakte orgieën”?’ De typering gaat Felix Post aan, schrijver van beroep en hoofdpersoon van de derde roman van Philip Huff. Maar ze had ook over het eerdere werk van Huff (1984) kunnen gaan. Zoals er wel meer dingen zijn die Huff en zijn hoofdpersoon delen, maar gelukkig niet alles. Hopelijk niet alles, want Boek van de doden is niet alleen somber stemmend, met de orgieën wil het ook niet vlotten.

Dat is eigenlijk te zwak uitgedrukt – de derde roman van Huff is inktzwart. Het verhaal speelt zich af in kringen van de jonge rich & famous in Amsterdam: iedereen is mooi of talentvol, de meeste mensen zijn beide. Iedereen wordt geïnterviewd, komt op televisie, schrijft boeken. Iedereen draagt mooie kleren – iedereen ziet ook elkaars mooie kleren. Het is een setting die zich had kunnen lenen voor een overzichtelijke plotontwikkeling: eerst wordt de glamoureuze buitenkant geschetst, dan volgen de eerste barstjes, de grote crisis, waarna we aan het slot een zekere catharsis voorgeschoteld krijgen en de held enigszins gelouterd een volgende levensfase ingaat. Zo lezen we het graag, zo hoort het leven te zijn.

Veel van die elementen zitten ook in de tien dagen rond Kerst waarin Boek van de doden zich afspeelt, behalve de vrolijke elementen dan. Want het interessante van Huffs roman is dat we Felix Post al aan het begin van het boek in de ellende treffen. Hij is nog in diepe rouw over zijn grote, verloren liefde Victoria; het geld dat hij met zijn boeken heeft verdiend is op, andere opdrachtgevers hoeven hem niet meer, zijn laptop wordt gestolen en hij propt zich vol met coke, heroïne, antidepressiva, pijnstillers, overige chemicaliën en drank. Als hij dan na een van de hippe feestjes met een meisje in bed belandt, kan zelfs de viagra hem niet meer redden.

Beklemmend

Zo somber zie je het maar zelden en dat maakt Boek van de doden beklemmend: Huff ketent je vanaf de eerste pagina vast aan zijn ongelukkige hoofdpersoon en je moet maar hopen dat deze zichzelf er enigszins bovenuit weet te krijgen, wat met hangen en wurgen lukt. Daarin zit echter niet de grote kracht van Boek van de doden, die zit in de ijzeren consequentie waarmee Posts bestaan wordt geschetst, waarbij lichamelijk en geestelijk ongemak gelijke tred houden. Huff is geen man van stilistisch vuurwerk, meer een van efficiënte zinnetjes, zoals een terloops ‘Gewoon, even aanraken’ uit de mond van Victoria als zij Felix na een jaar weer spreekt.

Daar, ongeveer halverwege, komt het verhaal in beweging. Post moet het definitieve verlies van Victoria erkennen, het boek wordt wat lichter, maar verliest ook zijn uitzonderlijkheid. Dan sluipen er wat overbodige elementen binnen en ontwikkelt de roman zich tot een tamelijk conventioneel verhaal over een man die niet weet wat hij het meest moet vrezen: het uitdrogende burgermansbestaan uit Revolutionary Road van Richard Yates of een geëxalteerde ondergang à la Bukowski of Hemingway – Post spreekt veel over de boeken die hij heeft gelezen. Op televisie houdt hij een aanstekelijk – en fel – betoog over Bukowski. Net als in het echte leven speelt nogal wat essentiële uitwisseling zich niet rechtstreeks af, maar via televisie, computer en (vooral) smartphone.

Daarin zit een overeenkomst tussen Huffs roman en de verhalenbundel van de zes jaar jongere Thomas Heerma van Voss: De derde persoon. Ook bij Heerma van Voss komen mensen op televisie en proberen mannen en jongens iets van vrouwen te begrijpen door langs oude boodschappen op hun telefoon te scrollen – het is immers dezelfde wereld. Maar waar Huff het verhaal vertelt van iemand die (tot zijn ongeluk) midden in een stormachtig bestaan staat, zijn de helden van Heerma van Voss buitenstaanders. Ze hebben de omwegen nodig om in de buurt van anderen te komen. Virtueel contact is eenvoudiger dan echt contact, want in het echt valt bijna iedereen tegen. Dat is het thema van alle verhalen in deze strak gecomponeerde bundel.

Zie het openingsverhaal over een student die uren doorbrengt met het vanuit zijn raam observeren van de deur van de erotische massagesalon aan de overkant. Hij maakt aantekeningen en verbeeldt zich wat er binnen gebeurt, maar daar blijft het bij. (Het is het soort plaats waarvan je je kunt voorstellen dat Felix Post er wanhopig binnenkomt, om zich voor zijn laatste geld een nieuwe teleurstelling te laten aanglibberen.)

Braafheid

Waar Huff schrijft over een late twintiger die niet weet hoe hij uit het leven moet komen, bij Heerma van Voss zijn het veelal vroege twintigers die nog niet weten hoe ze het echte leven in moeten. Met dat buitenstaanderthema voldoet Heerma van Voss veel meer aan het clichébeeld van een schrijver, en het geeft zijn verhalen soms net wat te veel distantie. Die relatieve braafheid en afstandelijkheid worden ruimschoots gecompenseerd door het niveau van De derde persoon. De meeste verhalen zijn goed, sommige zijn zeer goed. Er staat een indrukwekkende monoloog in van een zoon aan het bed van een stervende vader. Het geeft een knap gestileerd portret van die vader (en die zoon), maar het is vooral zo goed omdat Heerma van Voss zich niet tevreden heeft gesteld met een paar mooie vondsten uit het begin van het verhaal, maar dóórgeschreven heeft, waarbij het de volle dertig pagina’s blijft winnen aan diepgang. Zeker bij een zo eenvoudig verdrietig onderwerp als een stervende vader is dat een prestatie. (Dat het laatste woord van het verhaal overbodig is, laten we hier onvermeld).

‘Een verhalenbundel is toch een beetje een boek met een poepvlek erop: niemand wil het echt oppakken’, zegt iemand (een uitgever, nota bene) bij Huff. Die opmerking doet een heel genre onrecht aan, maar je kunt je bij sommige verhalen in De derde persoon niet aan de indruk onttrekken dat vooral de romanschrijver Heerma van Voss (die eerder al De allestafel en Stern publiceerde) staat te trappelen om weer aan iets groters te beginnen. Iets waarin het niet draait om buitenstaanders, maar om deelnemers – met alle ellende van dien. En dat er reden is om daar reikhalzend naar uit te kijken.