Grote gedachten in zeven kleine formules

Op het snijvlak van wiskunde en wijsbegeerte valt een nieuwe wereld te ontdekken: die van de 'wijskundige formules’. Francisca Wals dringt door tot de kern van groots gedachtengoed, van Plato tot en met Hannah Arendt.

Het was eind 2007. Ik was zeventien en ik dwaalde over de ‘informatiemarkt’ van mijn toekomstige universiteit. Filosofie, daar wilde ik weleens kijken. Kon ik niet vinden. ‘Wijsbegeerte’, bleek dat hier te heten. „Hoezo?”, vroeg ik aan de jongen die bij de wijs-begeertetent stond. „Tja”, zei hij, „waarom heet wiskunde wiskunde en niet, zoals in elke andere Europese taal, iets wat teruggaat op het Latijnse ‘mathematica’?”

Filosofie en mathematica – beide slachtoffer van dezelfde Nederlandse drang tot geforceerde inburgering. En er zijn meer overeenkomsten. De oude Griekse filosofen rekenden erop los, aan Descartes hebben we het cartesiaans assenstelsel te danken, en ook recentere denkers als Husserl, Wittgenstein en Badiou onderstutten hun theorieën met de wiskunde. Sinds vorige week kunnen we aan dit rijtje nóg een naam toevoegen. Gijsbert van Es introduceerde in deze krant een nieuwe tak van wetenschap, de ‘wijskunde’, een methode die met wiskundige formules het menselijk leven en gedrag tracht te doorgronden. Want: ‘levenskunst en levenswijsheid zijn óók een vorm van wiskunde.’

Voordat we met allerlei quasi-inzichten over de zin en moraal van het menselijk leven op de proppen komen, is het wellicht een goed idee de blik op het verleden te richten. En bij wie kunnen we, om tot ‘wijskundige formules’ te komen, nu beter te rade gaan dan bij de dames en heren wijsgeren die onze filosofische canon rijk is? Vandaar: zeven filosofen, willekeurig geselecteerd, wel chronologisch geordend, uitgedrukt in wijskundige formules, her en der aangevuld met een scheut predicatenlogica.

1 Plato (427-347 v.Chr.): G+W+S = (L-S) + Pa

Volgens Plato leven wij, mensen, in een schijnwereld – arme zielen die we zijn. De échte werkelijkheid is de wereld van de ideeën: perfecte prototypen van alles waarvan wij op aarde de schaduwen zien. Ook abstracte begrippen hebben een ideële tegenhanger, met als hoogste vormen: het Goede (G), het Ware (W) en het Schone (S). Wie een goed mens wil zijn moet proberen met deze drie in contact te komen.

En dat gaat niet zomaar. Alleen met een heel specifieke methode kunnen mensen ‘opstijgen’ naar deze eeuwige ideeën: de liefde (L) – maar dan zonder seks (S), want dat is weer zo aards. Geestelijke arbeid helpt ook, aangewakkerd door te praten (P). Niet met jezelf, maar met een ander (a) die kritische vragen stelt, bij voorkeur degene voor wie jij een platonische liefde voelt. En als je je dan eenmaal weet te richten tot die ‘wijde oceaan’ van het Goede, het Ware en het Schone zul je ‘vele mooie en voorname uiteenzettingen en gedachten voortbrengen in een rijke filosofische context’, aldus Plato.

2 Jean-Jacques Rousseau (1712-1778): R(m) → G:{0;0,2}

Rousseau had geen hoge pet op van de ‘moderne’ maatschappij. In de natuurstaat was alles veel beter: nobele wilden hielden zich bezig met overleven en voortplanten. Toen mensen zich gingen settelen en vaste communes vormden, ontstond een groot kwaad: ijdelheid. Mensen begonnen zich onderling met elkaar te vergelijken. Gevolg: een expanderend verlangen meer en meer te bezitten en daarmee te pochen. En daarvan komt ruzie en sociale ontwrichting – Thomas Piketty was écht niet de eerste die dat constateerde.

Oplossing: indammen die kloof tussen arm en rijk. ‘Geen mens’, schreef Rousseau, ‘zou zo rijk moeten zijn dat zij een ander kan kopen – en niemand zo arm dat zij koopbaar wordt’. In wijskundige termen betekent dit dat een maatschappij (m) die het predicaat Rechtvaardig (R) wil hebben een Gini-coëfficiënt (G, dat is een economische eenheid om inkomensongelijkheid mee te meten) tussen de 0 en de 0,2 moet hebben. Zo perken we ook die hebberigheid een beetje in.

3 Immanuel Kant (1724-1804): [P(g) ∧ C(p)] → M(g) = R(g)

Kant was een hardliner. Met één simpele formule meende hij al het moreel verantwoorde (M) gedrag (g) te hebben samengevat: handel volgens dát principe waarvan je zou kunnen willen dat het een universele wet zou zijn. Voilà het beroemde categorisch imperatief. In wijskundige termen: vertoon dát gedrag (g) volgens het principe (P) dat de universele eigenschappen van het categorisch imperatief (C) heeft. Het levert gedrag op dat moreel (M) is. Hier moet íédereen het wel mee eens zijn, dacht Kant. Want iedereen kan bedenken dat bijvoorbeeld stelen, liegen of manipuleren geen vormen van gedrag zijn om tot universele wet te verheffen. En dus is het categorisch imperatief ook nog eens het meest rationele (R) principe dat er is.

4 Martin Heidegger (1889-1976): V(m) → Z1(m)+Z2(m)+Z3(m)+…+ Zn-1(m)+Zn(m)

Welke megalomaan schrijft er nou een boek met de titel Zijn en tijd? Dat was Martin Heidegger, man van Grote Inzichten. In het boek ontrafelt hij het ‘zijn’ achter alle direct waarneembare ‘zijnden’ (dingen, natuur, mensen) in de wereld. En dat leidt tot zinnen als deze: ‘In-zijn is dus de formele existentiale uitdrukking voor het zijn van het Dasein, dat naar z’n aard de gesteldheid heeft van het in-de-wereld-zijn’ (p. 82 van de Nederlandse vertaling, voor de liefhebber). Wie Zijn en tijd heeft ontrafeld, komt het volgende te weten: wij mensen (Dasein, noemt Heidegger ons) verliezen ons in één heel specifieke wijze van zijn, die de wereld als instrument behandelt. Daarbij vergeten we dat er véél meer mogelijke manieren van zijn zijn – en dus van omgaan met de wereld en het leven. Werkelijke vrijheid (V) voor een mens (m) impliceert dus dat je er op vele verschillende manieren kunt zijn (Z1, Z2, Z3, …, Z¬¬n-1, Zn).

5 Ayn Rand (1905-1982) R(m) → E(m)

Socialisme en altruïsme vond queen of capitalism Ayn Rand ‘moreel obsceen’. Zij meende de mens filosofisch-biologisch volledig doorgrond te hebben – en de door haar aangetroffen aard van de mens bleek niet compatibel met systemen waarin je de vruchten van je arbeid met anderen moet of wilt delen. Een mens (m) die rationeel (R) is, is een mens (m) die egocentrisch (E) is. De menselijke natuur zit nou eenmaal zo in elkaar dat we alleen ons eigen individuele genot nastreven, aldus Rand. En genot definieerde ze als dat wat bevorderlijk is voor ons eigen individuele leven.

6 Jean-Paul Sartre (1905-1980) E = O [lim n(A(v)) n]

Sartre vond de meeste mensen maar laffe honden. Ze vluchten weg in prefab-rollen, om maar niet met hun vrijheid te hoeven dealen. Want die vrijheid aanvaarden, is zo makkelijk nog niet. ‘Gedoemd om vrij te zijn’, zo bestempelde Sartre de menselijke conditie. Want zonder vastgeroeste identiteit moet je je leven en het doel daarvan toch echt zelf vormgeven. En dat is eng.

Maar vrij zijn, is mooi wel de enige manier om een waardevol bestaan te leiden, om een essentie (E) te verwerven. Dus, wat je te doen staat, is het volgende: Omarm (O) die Angst (A) voor Vrijheid (V) en niet een beetje, maar tot en met de limiet van die angst, die natuurlijk almaar groter wordt naarmate het aantal vrijheidsgraden (n) stijgt.

7 Hannah Arendt (1906-1975) x(Kx → (Bx ∧ ¬ Rx))

In 1963 verscheen Eichmann in Jerusalem, een boek dat misschien wel de meest controversiële filosofische gedachte bevatte van de 20ste eeuw: het kwaad is banaal, zélfs het kwaad dat een naziprominent als SS-officier Adolf Eichmann had verricht. Auteur: Hannah Arendt. Jodin. Geboren te Berlijn. In 1941 gevlucht naar de VS.

Door het proces tegen Eichmann minutieus te beschrijven en aan te tonen dat hij een doodnormale man was, wilde Arendt duidelijk maken dat zelfs het ergste systematische kwaad niet voortkomt uit een duivelse ideologie. Eichmann was ervan overtuigd dat hij onschuldig was en slechts handelde volgens de destijds geldende wetten: de wetten van Hitler. Tuurlijk zat Eichmann hartstikke fout, vond ook Arendt. Maar niet omdat hij een sadist was, maar omdat hij niet nadacht. Klakkeloos deed hij wat van hem gevraagd was, zonder een moment te reflecteren op de moraliteit van deze orders. In navolging van Arendt kunnen we dus stellen dat voor alle ( ) handelingen x geldt dat wanneer ze kwaad aanrichten (K), ze banaal (B) van aard zijn én bovendien niet (¬) kritisch bereflecteerd (R) in het licht van de moraal.