Generatie Ik? We doen na wat iedereen doet

In Boek van de doden beschrijft Philip Huff (1984) zijn generatie. Dertigers van nu houden de hele tijd in de gaten wat iedereen doet en doen dat ook: oké, dan maar dit. Het leven overkomt hen.

Oké. Vandaag verschijnt de nieuwe roman van Philip Huff, Boek van de doden. Die gaat over een Amsterdamse man van dertig. Een schrijver. Ongelukkig in de liefde. Hij verdooft zich voortdurend met cocaïne, verliest zich op feestjes, dwaalt door de stad. Het is de week voor Kerst, de wereld is donker. Het is De avonden, maar dan in het nu.

Oké.

Ja? Oké?

Het is een persoonlijk boek dus? De Amsterdamse schrijver Philip Huff, nog twee weken negenentwintig, twijfelt. Preciezer dan: was het uitgangspunt, de motivatie om dit boek te schrijven persoonlijk? „Ik schrijf boeken over dingen die mij bezighouden, ik merk dat dat gewoon gebeurt”, zegt Huff, op een terras in het centrum van Amsterdam. Hij woont verderop aan de gracht.

Hij begint te lachen: „Omdat ik het leven als een probleem zie – nou ja, sóms - probeer ik dat probleem schrijvend in kaart te brengen. Ik breng ordening aan in alles wat mij omringt. Als ik het teruglees denk ik dat ik een soort kaart heb getekend van het landschap waarin ik me bevind.

„Verder: als je het wilt hebben over de biografische details...”

Je flirt met je biografische details. Je telefoonnummer staat er zelfs in.

„Haha, of dat verstandig is weet ik niet. Maar het staat er niet in als mijn telefoonnummer... Eigenlijk is dat wel een goed voorbeeld van hoe ik te werk ga. Ik gebruik de biografische gegevens eigenlijk uit gemak. En uit zorgvuldigheid. Als ik schrijf heb ik één regel: dat het moet kloppen. Het soort mensen waar ik over schrijf moet zeggen: ja, zo is het. En het enige waar ik echt expert in ben is mijn eigen leven. Maar hopelijk... het is niet de bedoeling dat het alleen over dit leven gaat.”

Oké. Maar waarom kies je er nou voor om te schrijven over een dertiger in deze stad? Is dat niet een wat beperkte ambitie? En je hoort de critici kreunen: wéér zo’n navelstaarder uit de hoofdstad.

„Ja, oké. Maar ik bepáál dat niet echt. Sorry als dat metafysisch klinkt. Maar ik ben met zo’n verhaal dan de hele tijd in mijn hoofd bezig, het moet er dan gewoon komen.”

Een soort verliefdheid op je boek.

„Ja, eigenlijk wel. Als je verliefd bent wil je dat meisje, maar je zegt: het moet zo zijn. Zo werkt dit ook. Maar beperkte ambitie... Ik schrijf over een kleine sociale groep, maar ik denk dat de mechanismen en patronen in deze groep ook herkenbaar zijn voor mensen in Urk. Mijn vorige roman Niemand in de stad ging over het Amsterdams studentencorps, waar ik lid van ben geweest. Een vriend van een vriendin zei me: het gaat daar net zoals bij ons op de carnavalsvereniging in Oss. Dezelfde belangrijkdoeners en onzekeren, insiders en outsiders.

„Ik schrijf over wat ik ken, maar als ik het goed doe, kan ik er universele dingen mee aankaarten. Als mensen over mijn personages zeggen: ‘wat een verwaande elite, wat een kleine kinderen, wéér drank en drugs’, denk ik dat ze voor een deel niet begrijpen wat ik wil zeggen. Of ze vinden het moeilijk om in de spiegel te kijken.”

Ja, in de spiegel kijken. Want je boek gaat over een typisch jong mens van nu?

„Ja. We leven in een tijd van succes, nee: van de illusie van succes en het uitstralen daarvan. Iedereen staat op een Facebookfoto te springen op een Zuid-Amerikaans strand, en de achtergrond is je geweldige safari. Terwijl je vaker gewoon maar wat op Facebook zit te kijken naar foto’s van vrienden van vrienden en denkt: zo leuk is mijn leven niet.”

We laten ons leven leuker lijken dan het is.

„Voor mij gaat het boek over het probleem van nihilisme: je wordt geboren, je gaat dood en het heeft eigenlijk geen zin. Je weet wel, dat moment dat je op je bed ligt en denkt: waar doe ik het allemaal voor. Mijn werk is zinloos, ik woon in een kuthuis met een te hoge hypotheek. Mensen hebben cultuur om iets tegenover dat nihilisme te stellen. Op verschillende manieren: sommigen luisteren naar Wagner, sommigen gaan gezellig op de camping staan. Maar we doen die dingen omdat ‘men’ ze doet – zonder dat er ooit iemand nadenkt vóór die groep en zich afvraagt of wat de groep doet goed is.”

Te veel: ‘nou oké’.

„Exact. Het hele boek is een variatie op de woorden ‘ja’, ‘nee’ en ‘oké’. Het gaat over mensen die de hele tijd ‘oké’ zeggen: dan maar dit. Te weinig ‘nee, dit wil ik niet’ en te weinig ‘ja, ik wil hier echt voor gáán’. Volgens mij is mijn boek een soort schets, of pauzeknop, van wat er de hele dag om ons heen gebeurt en waar we maar ‘oké’ tegen blijven zeggen. Zodat je daar in een gecondenseerde vorm over kunt nadenken. Ik hoop wel dat mijn boek je dan een bepaalde kant uit wijst.”

Een heleboel keer ‘oké’ opgeteld is een ‘nee’.

„Of een ‘nehhhh’. Hoe vaker je meedanst met de groep zonder je af te vragen wat je zelf wilt, hoe makkelijker je je die clichés laat overkomen. Dat je op een gegeven moment op de kerkbank zit naast je matig leuke schoonfamilie, terwijl je eigenlijk liever met dat andere meisje met je voeten in het gras had willen staan.”

We moeten vaker stilstaan?

„Het leven overkomt ons. Pas als je wegloopt of terugkijkt denk je: ja, dat was wat het was. Mijn hoofdpersoon zit bij een lezing waar een schrijfster zegt: ‘Wat we vergeten, is dat de manier waarop we naar de wereld kijken niet vanzelf groeit en vaststaat, als een schoenmaat of een nagel.’ Mijn hoofdpersoon let niet op. Maar we kunnen er wat aan doen. Zelf. Wat je ‘ik’ wil.”

Ja, ‘ik’. Want de jonge generatie van nu was toch juist individualistisch?

„Jaja, dat label ‘Generatie Ik’ bedoel je. Nee, nee, nee, nee! We doen wat ‘men’ doet. We houden de hele tijd in de gaten wat iedereen doet en doen dat óók. Generaties vóór ons hebben gestreden voor seksuele vrijheden en nu zie je dat het monogame heteroseksuele huwelijk weer steeds populairder en leidender wordt. Heel veel mensen laten de wereld hen vormgeven in plaats van andersom.”

Het mensbeeld in het boek is dus nogal pessimistisch? Je hoofdpersoon krijgt een bak ellende over zich heen.

„Ja, als je zijn leven die week zou leven, denk ik dat je je aan het einde ophangt. Schrijvend ben ik pessimist en lezend meer optimist, want ik denk dat het kán, voor deze jongen. Mijn redacteur zei: het is een soort skischans, het gaat naar beneden en beneden, maar er is aan het einde toch een soort buiginkje omhoog. Iemand anders zei: nee hoor, hij kan niet schansspringen en hij stort keihard naar beneden. Ik houd er niet van als een boek eindigt met zo’n verlicht inzicht, dan voelt een boek wel heel erg als een constructie. Misschien is dit voor hem het donkerste uur voordat straks de zon opkomt. Maar misschien ook niet.”

Wie heeft er dan gelijk, de pessimist of de optimist?

„Tsja. Een glas is natuurlijk eigenlijk noch halfleeg noch halfvol – wie er gelijk heeft hangt een beetje van het weer af. Maar ik hoop dat uit het boek spreekt dat je ergens ‘ja’ tegen moet zeggen.”

Misschien omdat je jezelf dat graag wilt vertellen?

„Ja...”

Worstel je zelf met een ‘oké-leven’?

„Ik had een tijdlang een heel leuk vriendinnetje en zij wilde een stap verder. Een kind. Durf je daar dan ‘ja’ tegen te zeggen? Of iets kleiners: moet ik ja zeggen tegen een interview in een goed bekeken televisieprogramma, waar je met Jeroen Pauw aan tafel zit en de opzet een kwartiertje snel lalala is? Dan werk je dus mee aan de wereld een plek maken waar je het niet mee eens bent. Namelijk zonder liefde en aandacht. Maar ja...”

Maar ‘ja’ is ook niet altijd een succesrecept. De vriend van je hoofdpersoon die in volle overtuiging bankier is geworden, leeft een geweldig leven. Waaraan hij misschien wel kapotgaat.

„Het is ambivalent, mijn boek is geen succesrecept. Maar het boek wil ook toegeven, tegen de huidige happiness-cultuur in: hoe ouder je wordt, hoe meer levens erbij komen die je ook had kunnen leven, en die je ineens bij de strot kunnen grijpen. Daar mag je best verdrietig over zijn – als je maar vrede hebt met waar je ‘ja’ tegen hebt gezegd. Soms zeg je ‘oké’ voor de grotere ‘ja’. En je weet ook niet wat er morgen gebeurt. Maar die jongen, die is volgens mij niet gelukkig.”

En jij?

„Ik heb ja gezegd tegen de koers die ik nu vaar, maar het weer kan omslaan, er kunnen dingen kapotgaan op mijn boot, maar de koers is goed.”

Dus? Tevreden?

„Ja.”