Geen man van gisteren willen zijn

In een zeer levendige biografie worden Zweigs ervaringen tijdens zijn ballingschap gereconstrueerd. Behalve allerlei getuigenissen gebruikt de biograaf ook herinneringen van zijn eigen familie.

Stefan Zweig en zijn tweede vrouw Lotte Altmann, met wie hij in 1942 zelfmoord pleegde. Foto Corbis/HH

Aan het eind van een lang leven wordt in zekere zin iedereen balling in zijn eigen bestaan. De existentiële of politieke slagvelden van de jeugd raken vergeten in een wereld waarin jongeren andere debatten voeren en andere gevoelens koesteren. Extra vervreemdend is het echter wanneer je ook in geografische zin balling wordt, omdat je door politieke factoren gedwongen bent je land van herkomst vaarwel te zeggen. Dan kan het verstrijken van de tijd een marteling worden.

De Oostenrijkse succesauteur Stefan Zweig ondervond beide vormen van vervreemding aan den lijve. In 1942 benam hij zich in Brazilië van het leven, samen met zijn tweede echtgenote, Lotte Altmann. Aan de Braziliaanse ballingschap was een lange vlucht voor de nazi’s voorafgegaan – Zweig was van Joodse komaf en zijn boeken waren in 1936 in Duitsland op de brandstapel gelegd.

Na de definitieve inlijving van Oostenrijk bij Hitler-Duitsland in 1938 nam hij de wijk naar Engeland, maar na de Duitse verovering van Frankrijk leken de Verenigde Staten hem toch raadzamer. Toen ook de Verenigde Staten in de Tweede Wereldoorlog verzeild raakten, trok hij verder naar Argentinië, Paraguay en tenslotte Brazilië.

In deze zeer levendige biografie probeert de Amerikaanse schrijver George Prochnik de ervaringen van de balling Zweig te reconstrueren. Hij gebruikt daarvoor, behalve schriftelijke en mondelinge getuigenissen, ook minder gebruikelijke instrumenten, zoals herinneringen van zijn eigen Joodse familie uit Oost-Europa. Zo vergelijkt hij Zweigs ballingschap met die van zijn eigen vader en grootvader, die arts was en in 1938 de tip kreeg van een ex-patiënt, een vooraanstaande nazi, dat het tijd werd om naar Zwitserland te vluchten. Wat Prochnik in dat verhaal vooral fascineert, zijn de verschillende stadia van ballingschap – de ontsnapping, de mogelijkheid om met valse papieren naar de Verenigde Staten te ontkomen, het geluk in Boston een nieuwe artsenpraktijk te kunnen beginnen.

Tweederangs figuur

De biografie komt op een goed moment, omdat er sprake is van een Zweig-revival. Tijdens zijn leven was Zweig een wereldberoemde en veel vertaalde succesauteur, wiens boeken bij honderdduizenden over de toonbank gingen. Maar sinds zijn dood geldt hij toch een beetje als een tweederangs figuur. Er zullen bijvoorbeeld niet veel mensen meer zijn die zijn biografieën van Joseph Fouché of Erasmus nog lezen. Maar van Zweigs fictie verschijnen de laatste jaren weer vertalingen en herdrukken. Toch wordt ook dat werk gekenmerkt door een ouderwetse wijdlopigheid, en mist het de scherpte van zijn tijd- en plaatsgenoot Arthur Schnitzler, met wie Zweig de belangstelling voor psychoanalyse en onderdrukt gevoelsleven deelde.

Dat licht oubollige kun je natuurlijk juist aandoenlijk vinden, zoals de Amerikaanse cineast Wes Anderson, die zich voor zijn jongste film, The Grand Budapest Hotel, liet inspireren door de voor Zweig typerende opbouw van het verhaal: reiziger vertelt hoe hij toevallig in een hotel iemand tegenkomt die hem een verhaal vertelt, dat aan het eind voor de verteller persoonlijke relevantie blijkt te hebben.

Elke biograaf van Zweig ervaart concurrentie van Zweig zelf in de na zijn dood verschenen autobiografie Die Welt von Gestern. Het boeiendst zijn de hoofdstukken over Wenen rond de eeuwwisseling, waar Zweig als zoon van een welgestelde, seculier-Joodse textielhandelaar ter wereld was gekomen. In deze laatste jaren van het Habsburgse keizerrijk werd het leven door een grote schijnstabiliteit gekenmerkt, schrijft Zweig: alles straalde vooruitgang uit en leek op de eeuwigheid berekend.

Wenen wordt zeker niet zonder voorbehoud verheerlijkt. Treffend schetst Zweig de dubbele moraal van de gezeten burgerij, met zijn verwoestende effecten op het gebied van seksualiteit, en alomtegenwoordigheid van armoede en prostitutie in de zijstraten van de prachtstad.

Maar voor een jonge intellectueel was het er goed toeven: dagen in het koffiehuis rondhangen, daar lezen en werken en praten, het progressieve puikje van kunst en wetenschap aan je voorbij zien trekken, en uit heel Europa de laatste kranten en belangrijke tijdschriften bij de hand. Nergens anders ter wereld heeft Zweig dit koffiehuiskosmopolitisme ooit nog aangetroffen, en hij heeft het zeer gemist.

Minderwaardigheidscomplex

Die Welt von Gestern is het soort autobiografie dat de lezer met een minderwaardigheidscomplex dreigt op te zadelen. Want de hoofdpersoon lijkt frère et compagnon te zijn geweest met heel veel prominente tijdgenoten die er nog steeds toe doen: Karl Kraus, Sigmund Freud, Maksim Gorki – je kunt het zo gek niet bedenken of Zweig kende ze, en dat bleef zo tijdens de ballingschap. Ook toen bleef hij trouwens een productief en wereldberoemd auteur. Zijn bezoek aan een land werd in de kranten aangekondigd.

Maar tevreden was hij niet, al ging het hem economisch beter dan veel andere Duitse of Oostenrijkse intellectuelen op de vlucht. Prochnik schept het beeld van een man die zich in het openbaar principieel en voor lotgenoten hulpvaardig gedraagt, maar innerlijk door fatale onrust is bevangen. Zweig was echter niet het soort auteur dat in zijn boeken uiting geeft aan psychische kwelling, en ook zijn privécontacten geven maar zelden inzicht in intieme overwegingen. Dus elke schildering van zijn lijden blijft wat aan de oppervlakte. Evenmin liet Zweig bij zijn zelfmoord een verklarende brief na.

Er zijn vermoedens ten aanzien van onderdrukte homoseksualiteit, of een ongelukkig tweede huwelijk met de ziekelijke Lotte, die hij als zijn typiste had leren kennen, en die dat ook tijdens hun huwelijk bleef. Maar de meest plausibele verklaring voor zijn daad ligt voor de hand. Hij was verdreven uit de geesteswereld die de zijne was en zag in 1942 geen einde aan de nazibarbarij, alleen verdere neergang en vervreemding. Een man van gisteren zijn, was beneden zijn waardigheid.