‘Deze roman is een soort clownsnummer’

Kees ’t Hart (1944) schreef een satire op de wereld van kunstsubsidies en toneelfestivals. „Ik heb lappen tekst aan mijn vrouw laten lezen met de vraag of het niet te grappig werd.”

Kees ’t Hart: „Hein en Kees vinden dat Rousseau schromelijk wordt overschat.” Foto Robin Utrecht

Kent u de mop van die twee Nederlandse theatermakers die naar Vicenza gingen? Die gingen niet. Of nou ja, ze gingen wel, maar het pakte allemaal compleet anders uit dan gehoopt. Dit is in kort bestek de strekking van Kees ’t Harts nieuwe roman Teatro Olimpico.

Waar veel schrijvers hun personages niet eens aan hun dromen laten beginnen, daar laat ’t Hart zijn personages Kees en Hein wel degelijk de hemel bestormen. Ze willen er voor gaan en ’t Hart laat ze ervoor gaan. Maar tijdens dat bestormen licht hij ze genadeloos pootje. De Italiaanse versie van hun toneelstuk Rousseau, ten tonele gevoerd op een heus Rousseau-festival, lijkt in niets op hoe het volgens Kees en Hein zou moeten. Ze vinden het een blamage van de bovenste plank. Maar! Ze hebben er wel succes mee, ze worden toegejuicht, terwijl ze hun eigen opvattingen over theater er niet meer in terugzien. De hele onderneming is, tja, die is op een rare manier prachtig mislukt.

Kunt u zich voorstellen dat de lezer nogal verward de laatste pagina van Teatro Olimpico omslaat?

„Ja! Ja! Ja! Dat wilde ik!” zegt ’t Hart thuis in Den Haag. „Je moet als lezer niet zeker weten of dat theaterstuk Rousseau nu wel of niet gelukt is. Ik heb telkens lappen tekst aan mijn vrouw laten lezen met de vraag of het niet te grappig werd, want dat mocht niet. Er wordt bijvoorbeeld in de roman vaak op het toneelwerk van Beckett afgegeven, maar te veel was niet goed, dan werd het te leuk. Want Hein en Kees bedoelen het allemaal zeer serieus. Al hoef je hen ook weer niet al te ernstig te nemen. Het zijn ook tragische figuren.”

Afgaand op de inhoud, maar ook op de vorm van de roman, is ‘Teatro Olimpico’ bijna een logistieke roman te noemen. Kees legt in één lange brief uit aan een commissie hoe ze van A naar B kwamen en waarom ze er in vredesnaam zo veel geld in hebben moeten steken.

„Logistieke roman... Ja, dat vind ik eigenlijk wel een mooie term. Achter Kees’ woorden is constant voelbaar: ‘Hup, commissie, kom op met die centen!’ Ze hebben klauwen met geld uitgegeven en dat probeert hij terug te krijgen bij een subsidie-instantie die hij aanschrijft. De roman is een bedelbrief. Deze roman kwam er erg snel uit. Dit is een verrekt leuke vorm, merkte ik, je richten tot een ‘u’ die niet de lezer is maar een imaginair commissielid. Ik wilde in de roman uit de doeken doen hoe je als theatermaker, of als schrijver, voor elkaar probeert te krijgen wat je maken wilt. Hoe kom je aan geld? Hoe werkt het in de subsidiewereld? Tegen welke praktische problemen loop je aan als je iets bedacht hebt?”

In hoeverre kon u daarbij gebruik maken van eigen ervaringen?

„Het is al ontzettend lang geleden, 25 jaar om precies te zijn, maar ik ben met een vriend een keer door eenzelfde soort molen heengegaan als Kees en Hein. Eind jaren tachtig probeerde ik in Friesland, ik was nog niet eens gedebuteerd als schrijver, een stuk op de planken te krijgen dat ook Rousseau heette. Om het gefinancierd te krijgen moest ik allerlei instanties aflopen. Hein [beeldend kunstenaar Hein de Graaf] en ik schreven fondsen aan en we maakten afspraken met een bankier. Van die laatste wisten we al op voorhand dat hij nooit geld in zo’n raar project zou stoppen. Wat zou er voor hem in moeten zitten? Maar we gingen toch. We vonden het prachtig om zo’n officieel gesprek te voeren.”

U maakt van de lezer met deze vorm een voyeur, omdat hij het gevoel krijgt inzage te hebben in vertrouwelijke beleidsstukken. Vorig jaar ontstond er een relletje toen de Letterenfonds-subsidies op internet waren te vinden. Heeft zo’n voorval nog bijgedragen aan de totstandkoming van de roman?

„Niet direct, maar het is natuurlijk wel interessant om eens stil te staan bij de subsidiëring van de kunsten. In de roman hoopt Kees op een projectbeurs van het Letterenfonds, zodat hij die voor de bekostiging van het theaterstuk kan inzetten. En zo werkt het natuurlijk ook, want geld is geld en het ene bedrag wordt echt niet zo stipt voor dat en dat project gebruikt. Ik wil zoiets dan niet zwaar op de hand behandelen, maar satirisch. Want de roman is natuurlijk ook een beetje een satire op dat festivalgedoe, zo van je hebt een Casanova-festival en een Beckett-festival, en weet ik wat allemaal voor festivals. Ik wilde laten zien hoe dat in elkaar steekt. Bij mijn Rousseau eisten subsidiegevers destijds dat je een stichting oprichtte, omdat ze anders bang waren dat we er met de centen vandoor gingen. En toen er eenmaal geld in onze stichting zat, kochten we er meteen een auto van. Die werd later gestolen.”

U bedrijft slapstick, maar tegelijkertijd klinkt in de toon ook de vaststelling door dat dit gewoon de realiteit van een kunstenaar is.

„Deze roman is een soort clownsnummer, twee ambitieuze theatermakers die tegen beter weten in het hoogste willen bereiken. Maar tegelijkertijd hoop ik dat het ook ernstig is. Dit zijn twee jonge mannen [slaat drie maal met de hand op tafel] Die Iets Willen! Ze zetten zich af tegen een theatertraditie en hun theaterstuk moet en zal in dat schitterende Teatro Olimpico in Vicenza opgevoerd worden.”

Kees en Hein haten het Beckett-theater. Hun alternatief klinkt ronduit vaag, maar toch krijg je de indruk dat u het wel eens met ze eens kon zijn.

„Kijk, dat Beckett een groot schrijver is, daar mag natuurlijk geen enkele twijfel over bestaan. Maar tegelijkertijd is zijn ‘gestalte’, zoals mijn personages het noemen, ontzettend ergerlijk. Die heiligverklaring van hem, die door de cultuurindustrie keer op keer herhaald wordt, daar erger ik mij kapot aan. Hetzelfde geldt voor Rousseau, die in onze cultuur een vergelijkbare heldenstatus ten deel valt. Maar Rousseau liep in zeven sloten tegelijk. Hij wilde het ene moment tuinontwerper worden en het andere moment boog hij zich weer over de muziek. En toen kwam hij met die filosofieën op de proppen en die werden opeens heel hoog aangeslagen. Terwijl als je goed naar die teksten kijkt... Wat dat betreft schaar ik mij achter het geouwehoer van deze heren, die vinden dat die man schromelijk wordt overschat.”

En die klakkeloze canonisering gaat niet alleen voor Rousseau of Beckett op, vermoed ik.

„Wat dat betreft is de figuur Rousseau inwisselbaar. Het had net zo goed Elvis Presley kunnen zijn. Toen Rousseau leefde, liepen er honderden filosofen rond zoals hij. Maar daar hebben we het niet meer over.”

De vraag luidt natuurlijk waar hem dat in zit.

„Dat is het raadsel van het stardom. Waarom Andy Warhol wel en een geestverwant uit die tijd niet? Ik kan dat niet verklaren en het boeit me geweldig. Zijn ze echt kwalitatief beter dan anderen? Ik kom daar niet uit.”

En wat zijn hiervan de gevolgen?

„Ik geloof dat ik niet verder kom dan dat ik er om moet lachen.”