De koning sprak de perfecte bede uit

Willem-Alexander sprak in de Troonrede niet namens ‘allen’ Gods zegen uit, maar namens ‘velen’. Zo maakt de koning duidelijk dat geloven een privéaangelegenheid is en sloot hij iedereen in: gelovig én seculier, meent Franck Ploum.

illustratie angel boligan

Op Prinsjesdag handhaafde Willem-Alexander de standaardformulering van zijn moeder. „U mag zich gesteund weten door het besef dat velen u wijsheid toewensen en met mij om kracht en Gods zegen voor u bidden.”

Hier maakt hij duidelijk dat in zijn hoedanigheid geloven een privéaangelegenheid is. Niet: ‘Ik wens u Gods zegen toe’, maar: ‘Ik en anderen bidden om Gods zegen over jullie werk’. Met andere woorden: ‘Wij allen wensen u wijsheid, en er zijn ook veel mensen die voor u bidden.’ Dat is de breedte en de ruimte die de koning neerlegt en allen insluit, gelovig en seculier.

Vanuit verschillende christelijke kerken gaan echter stemmen op dat de koning zich meer zou moeten uitspreken over zijn geloof. ‘God’ zou meer in zijn spreken naar voren moeten komen en zijn Kersttoespraak miste elke verwijzing naar het bijbels kerstverhaal, luidt de kritiek. Maar wat wordt er bedoeld met ‘meer spreken over God’? Over welke God zou het dan moeten gaan? De God van het christendom – de Koning is immers belijdend lid van de PKN?

Het lijkt vooral te moeten gaan over de God van de kerkelijke instituten. ‘Christus als de geboren Zaligmaker’, zoals de Reformatorische christenen in zijn kersttoespraak willen horen is immers pure kerkelijke dogmatiek. Ook in het verhaal van Karin van den Broeke (voorzitter van de Protestantse Kerk in Nederland) klinkt door dat het voor de PKN wel fijn zou zijn wanneer de koning, als belijdend lid, daar zo nu en dan aandacht aan zou besteden. Maar hoe kan een staatshoofd van alle Nederlanders exclusief spreken over zijn eigen geloofsovertuiging? Willen we dan ook meer weten over de politieke partij die zijn voorkeur heeft?

In Nederland kennen we een strikte scheiding tussen kerk en staat. Deze scheiding is vele malen verder doorgevoerd dan in de ons omringende landen. Worden in andere Europese landen (Duitsland, België, Frankrijk, Italië) kerkgebouwen nog onderhouden door de overheid en valt kerkelijk personeel veelal onder het ambtenarenapparaat, in Nederland is dit alles de verantwoordelijkheid van kerken zelf. Lid zijn van een kerkgenootschap, het bezoek aan een synagoge of moskee is een privéaangelegenheid, zoals ook de keuze voor een vakbond of bijzonder onderwijs een privékeuze is.

Een Staatshoofd van alle Nederlanders, moslims, seculieren, joden, christenen, boeddhisten en vele andere kleine en grotere stromingen, dient in het openbaar niet over zijn persoonlijke geloofsovertuiging te spreken, maar wat mag je dan wel verwachten?

In deze discussie wordt de Koning nogal eens verweten dat zijn moeder en oma veel nadrukkelijker en uitgesprokener waren als het over dit onderwerp gaat. De vraag is of dat daadwerkelijk waar is. Toespraken eindigen met ‘God zegene ons’ is toch niet te beschouwen als een exclusieve uiting van persoonlijke geloofsovertuiging. Eerder valt het onder de categorie ‘adieu’ of ‘ik wens je al het goede toe’. Maar ook daar was destijds al kritiek op, omdat we niet onder het feit uit kunnen dat de groep seculieren – mensen die geen geloofsovertuiging aanhangen – groter wordt dan de groep gelovigen. Waar beiden wel heel sterk in waren was het schetsen van een samenleving die gebaseerd is op een aantal centrale waarden, waarden die – voor de goede verstaander – voortkwamen uit hun persoonlijke geloofsovertuiging: solidariteit, naastenliefde, compassie, gerechtigheid, opkomen voor de zwaksten, internationale verantwoordelijkheid, ontwikkelingssamenwerking. Deze woorden werden concreet op momenten van ramp en tegenspoed. Ik herinner me van koningin Beatrix vele momenten waarop ze slachtoffers menselijk nabij en tot steun was. Zonder expliciet te spreken over hun persoonlijke geloofsovertuigingen of partijpolitieke voorkeur, maakten de koninginnen Juliana en Beatrix duidelijk dat ze leefden vanuit bijbelse waarden en was helder waar ze zich in het politieke landschap thuisvoelden.

Precies dat mogen we van een staatshoofd voor alle Nederlanders verwachten: dat hij oog heeft voor alle inwoners, de noden hoort van de zwaksten, de vinger legt op zwerende plekken van uitsluiting, discriminatie, racisme en achterstelling. Voor de koning zullen deze algemene menselijke waarden geworteld zijn in de bijbelse traditie. Joden, moslims en christenen zullen ze onmiddellijk als zodanig herkennen. Maar ook mensen die leven vanuit andere inspiratiebronnen, religieus of seculier, zullen ze vanuit humanitair oogpunt kunnen beamen.

Karin van den Broeke is van mening dat de koning zich over deze humanitaire waarden nog te weinig heeft uitgesproken. Dat kan zo zijn, maar het is naar mijn mening nog te vroeg om daar uitspraken over te doen. Eén jaar koningschap, met alles wat er op iemand afkomt, is te kort, maar de nadrukkelijke aanwezigheid van koning en koningin in de dagen van de MH17-ramp laat in ieder geval zien dat ze een traditie van compassie en nabijheid voortzetten. Dat de officiële herdenking op de dag van nationale rouw en rond de aankomst van de eerste kisten met stoffelijke resten van slachtoffers geen religieuze componenten kenden, mag voor sommigen dan een gemis zijn geweest, tegelijk is het sterk om te kiezen voor een formule die voor iedereen invoelbaar en te volgen is. Daarnaast staat het iedere stroming vrij om in eigen kring, met eigen rituelen te gedenken en te herdenken.

De koning van alle Nederlanders hoeft niet nadrukkelijk over God te spreken, hij moet samenhang, onderlinge verdraagzaamheid en (wereldwijde) solidariteit vertegenwoordigen, daarmee plaatst hij zich in de voetsporen van zijn voorgangsters, en draagt hij bijbelse waarden uit, die voor iedere Nederlander verstaanbaar, volgbaar zijn en die verder vertaald kunnen worden binnen de vele stromingen die Nederland rijk is.