De kameel hoort echt nergens thuis

Exotische diersoorten worden door natuurbeschermers als vijanden gezien, die zo snel mogelijk verdreven moeten worden. Die opvatting is volgens ecoloog Ken Thompson ingegeven door horrorverhalen en eenzijdig onderzoek.

Turkse tortel Canadese gansCranberryGrote veenbesKonijnFazantVeelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje Japanse duizendknoopGrijze eekhoornBoerenkrokusHuiskraaiNijlgansWasbeerWitte paardenkastanjeHuiskrekelHalsbandparkietPontische rodondendronRoodwangschildpadAmerikaanse brulkikkerChinese wolhandkrabBloedrode aasgarnaal Pontische stroomgondelKarperZonnebaarsSnoekbaarsEgeriaAlle planten en dieren op deze pagina zijn in Nederland levende exoten Illustraties Irene Goede

Tussen de witte zwanen in Brugge zwemt tegenwoordig ook een zwarte zwaan. Dat ziet er aardig uit, maar het stadsbestuur wil de zwaan zo snel mogelijk laten vangen en overbrengen naar een asiel. „Het zou hetzelfde zijn moest er in Brugge plots struisvogels rondlopen of pelikanen op de reien zitten”, zei de schepen Philip Pierins begin deze maand op het Vlaamse televisiestation VTM.

Niemand had last van de zwarte zwaan, zelfs de autochtone knobbelzwanen niet. Het stadsbestuur heeft maar één bezwaar tegen zijn aanwezigheid: hij hoort hier niet. Zwarte zwanen (Cygnus atratus) komen oorspronkelijk uit Australië en zijn als siervogels naar Europa gebracht. Sommige zwanen ontsnapten uit hun siervijvers en begonnen een leven in het wild.

Het ongewenst verklaren van één zwarte zwaan is absurd. Het is ook tekenend voor de heersende houding ten opzichte van exotische soorten: ‘elke exoot moet dood’. Natuurbeheerders en -beschermers houden de nieuwkomers argwanend in de gaten. Veroorzaken ze schade? Verdringen ze inheemse soorten? Brengen ze ziekten met zich mee?

In Nederland leven inmiddels 138 uitheemse diersoorten en 233 uitheemse plantsoorten. Ze zitten overal. In de berm woekert de Japanse duizendknoop, het IJsselmeer zit vol driehoeksmossels, in de parken vliegen halsbandparkieten en in de grachten krioelt de Chinese wolhandkrab.

Het onderzoek naar al deze exoten explodeert. Invasiebiologie is een bloeiende zijtak geworden van de ecologie, compleet met eigen tijdschriften, leerstoelen en onderzoeksinstituten. Sinds 2009 heeft het Ministerie voor Economische Zaken een heus Team Invasieve Exoten en in 2012 is het Nederlandse Expertise Centrum Exoten opgericht.

En nu is er dus ook een echte Veldgids Exoten, met foto’s en beschrijvingen van honderd exoten in Nederland. De dieren en planten zijn uitgezocht omdat ze overlast geven of ontzettend herkenbaar zijn als exoot, met evenveel aandacht voor plant en dier om een goed beeld te geven van de exotendiversiteit in Nederland, schrijven de samenstellers.

Dat is goed gelukt. Het boekje begint met het grijs kronkelsteeltje (een mos), eindigt met de knorrepos (een vis) en daartussen trekt een bonte exotenparade aan de lezer voorbij, van de kleine populatie Russische ratelslangen uit Eelde tot de Chinese moerasslakken in Limburg.

Het is een mooie gids geworden, gedrukt op glanzend papier en met harde kaft. De foto’s zijn niet allemaal geschikt voor determinatie in het veld, maar als huiskamergids is het een heerlijk boekje om weg te griezelen bij alle exotische planten en dieren die hier aan zijn komen waaien, zwemmen of hupsen.

Ketterse gedachte

Nou ja, griezelen. Bladerend valt op dat van de meeste exoten weinig acute dreiging uitgaat. Er zijn een paar echte natuurdelinquenten zoals de coloradokever, nog altijd de schrik van de aardappelkweker, en de muskusrat, die de dijken ondergraaft. Van de rest zijn de gevolgen voor inheemse natuur meestal onbekend of klein. Bestrijden is in veel gevallen de moeite niet of zelfs onmogelijk. Een ketterse gedachte komt op: is al die aandacht voor exoten niet overdreven?

Absoluut. Dat vindt althans ecoloog Ken Thompson van de universiteit van Sheffield. In zijn nieuwste boek Where Do Camels Belong? laat hij zien hoe ons beeld van exoten vooral is ingegeven door horrorverhalen uit de media en eenzijdig onderzoek. Niet elke exoot hoeft tot de dood bestreden te worden. Soorten verplaatsen zich en ook de mens verplaatst soorten. Laten we daar maar aan wennen en er het beste van maken. Met de simpele vraag in de titel van zijn boek maakt Thompson meteen zijn punt. Want waar horen die kamelen eigenlijk thuis?

Het Midden-Oosten, is het snelle antwoord. Maar de plek waar kamelen miljoenen jaren geleden evolueerden en waar vanuit ze over de rest van de wereld uitwaaierden, is Noord-Amerika. Zuid-Amerika is ook een aardig antwoord: daar komen tegenwoordig de meeste inheemse kameelachtigen voor (lama, alpaca, guanaco, vicuña). Of misschien is het toch Australië, de enige plek op aarde waar verwilderde kamelen leven?

De kameel hoort nergens écht thuis, wil Thompson maar zeggen. Vrijwel iedere soort trekt er op uit en wordt dus technisch gezien exoot. Nergens blijft een soortensamenstelling gelijk.

Zelfs al zouden we de klok terug willen draaien naar een tijd zonder exoten: wanneer was dat dan? Vlak na de IJstijd, toen er nog geen landbouwers in Nederland waren, maar er ook nog geen beuken of eiken groeiden? De ongerepte natuur waar alles op de plek leeft waar het hoort te leven is een moderne paradijsmythe.

Exoot en inheems (alien en native) zijn sowieso troebele begrippen. Volgens een gangbare definitie is een exoot een soort die door de mens bewust of onbewust buiten zijn oorspronkelijke leefgebied is geïntroduceerd. De Turkse tortel (Streptopelia decaocto) is dus geen exoot, want die verspreidde zich de afgelopen decennia op eigen kracht over West-Europa. De Indische huiskraai (Corvus splendens) die al twintig jaar in Hoek van Holland broedt en sinds begin dit jaar systematisch wordt afgeschoten is dat wél. Ooit liftten deze huiskraaien mee op een schip. Een fatale fout: dat is onnatuurlijk. Als de vogel op een stuk drijfhout hierheen was komen dobberen, of netjes via Zuid-Europa ons land was binnengetrokken, was er volgens de gangbare definitie niets aan de hand geweest.

Lastpakken

Het label exoot wordt vooral op lastpakken geplakt, laat Thompson zien, op plaagdieren en woekeraars die in aangetaste natuur gedijen. Maar we vergeten dat als op die plekken geen exoten als reuzenbalsemien of reuzeberenklauw zouden groeien, de inheemse probleemplanten daar zouden woekeren: brandnetels, Jacobskruiskruid, distels en gewone berenklauw. Soorten die allang ongewenst waren verklaard als ze niet inheems waren geweest, meent Thompson.

Mooie, lekkere en zeldzame exoten blijven buiten schot. Sommige zijn we zelfs als inheems gaan beschouwen. Zo herkennen we kastanje, fazant, appel- en perenboom, konijn, damhert, karper, zevenblad of wegenwachter (wilde cichorei) niet als exoot. Ze zijn het wel, geïntroduceerd door Romeinen of ijverige monniken.

De positieve bijdrage die exoten in de natuur spelen wordt vaak genegeerd. Neem de Driehoeksmossel (Dreissena polymorpha). Deze van origine Oost-Europese zoetwatermossel komt sinds 1826 ook in Nederlandse wateren voor. Het weekdier kan pijpleidingen verstoppen, maar wordt ook volop ook gegeten door zoetwatervissen en watervogels. En het kleine mosseltje maakt troebel water weer helder. Eén driehoeksmossel filtert 76 milliliter water per uur. Driehoeksmossels filteren ál het water van het IJsselmeer twee keer per maand helemaal door, rekent EcoMare voor. Niet slecht, voor een exoot.

Thompson geeft iedereen ervanlangs die de exotenhysterie aanwakkert, van journalisten tot politici. Maar vooral vakgenoten moeten het ontgelden. Hij hekelt de kostenberekening die sommige wetenschappers maken.

Thompson heeft een punt. Ook in Nederland wordt met exotenkosten gegoocheld. In het veel geciteerde rapport Biologische Globalisering uit 2005, waar de TU Delft aan meeschreef, becijferden onderzoekers dat exoten in Nederland voor 1,3 miljard tot 2,2 miljard euro aan schade veroorzaken. Ook in de Veldgids Exoten staan deze getallen. Maar hierbij blijken bij nadere beschouwing ook de kosten voor de griepbestrijding (à 400 miljoen euro) en AIDS-bestrijding (115 miljoen euro) meegerekend. Influenza en HIV zijn ten slotte ook invasieve soorten. Het staat er echt.

Oké, zomaar exoten uitzaaien is vragen om problemen. En ook Thompson vindt dat sommige exoten het bestrijden waard zijn. Niemand denkt nog dat de introductie van de vogelverslindende bruine nachtboomslang (Boiga irregularis) op het mini-eiland Guam een goed idee was. Maar voordat we overgaan tot bestrijding van een soort, moeten we zeker zijn dat die soort ook het probleem is, en niet het symptoom. Afkomst zou daarbij niet moeten uitmaken.

Thompson schrijft vlot en helder. De meeste voorbeelden die hij geeft zijn Brits en Amerikaans, bijvoorbeeld over het struikje tamarisk en de Pacific Salmon, maar spreken toch tot de verbeelding. Maar na het dichtslaan blijft één vraag hangen: is hij een roepende in de woestijn, of wordt zijn kritiek ook gedeeld door andere ecologen?

Hij blijkt niet de enige. In het zeer wetenschappelijke boek Invasion Biology and Ecological Theory (met Australische kamelen op de kaft) houdt een dertigtal ecologen de invasiebiologie tegen het licht. Hun oordeel is negatief. Het boek is samengesteld door Herbert Prins, hoogleraar ecologie aan de Wageningen Universiteit, en Iain Gordon, directeur van het Schotse James Hutton Institute.

Australië staat centraal in Invasion Biology. Het is zo vaak door exoten binnengedrongen en gekoloniseerd, dat het continent de ideale lakmoesproef is voor invasiebiologen. Als theorieën over invasieve exoten getest kunnen worden, is het hier. Aan de hand van twintig exoten, van de rampzalige komst van het konijn tot de mislukte introductie van de waterbuffel, toetsen de ecologen elf gevestigde theorieën over invasieve exoten. Twee van de elf worden min of meer geaccepteerd, maar de rest wordt sterk betwist. Ondanks alle pretenties weten ecologen helemaal niet waarom de ene exoot zich ontpopt tot invasieve soort en de andere niet. Invasieve exoten zijn vaak soorten die snel jongen krijgen of veel zaad afzetten, maar niet altijd. Ecosystemen die meer zijn aangetast worden vaker binnengedrongen, maar niet altijd.

Onvoorspelbaar

Exoten en ecosystemen zijn even veranderlijk en onvoorspelbaar als het weer, schrijft het biologengezelschap. Bij zoveel onzekerheid is voorzichtigheid geboden, vinden ze. Dáárom neigen ze naar preventie en bestrijding van exoten – je weet maar nooit. Ecofascisme uit voorzorg. Prima – maar tegen welke prijs? Uitroeiingsprogramma’s zijn duur en hebben zelden resultaat, laat Thompson juist zien.

In Brugge is de zwarte zwaan voorlopig weer veilig. De gemeente heeft pogingen om hem te vangen gestaakt, nadat het bootje tegen de kade was gebotst.