Verplicht alle werkenden tot verzekering en pensioen

Veel zzp’ers en flexwerkers zijn onverzekerd. Tijd voor een nieuw stelsel, betaald door opdrachtgever én -nemer, schrijft De Baliegroep.

Ongeveer tweederde van alle zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) heeft geen verzekering voor arbeidsongeschiktheid en spaart niet voor een aanvullend pensioen, blijkt uit onderzoek. De onderzoekers constateerden dat in de jaren daarvoor ook het geval was: 36 procent van alle zzp’ers is verzekerd en 64 procent niet. De belangrijkste redenen zijn de kosten op de korte termijn.

Deze situatie staat niet op zichzelf, maar kan geduid worden als een uitdrukking van de transitie waarin de verzorgingsstaat zich bevindt. In die turbulentie staan zekerheden op vele terreinen ter discussie: het gaat om zaken als arbeid, zorg, wonen en mobiliteit. Die zijn zodanig met elkaar verweven, dat het inmiddels niet meer volstaat om oplossingen op de oude, vertrouwde wijze te bedenken en uit te voeren.

Ook op het terrein van arbeid en sociale zekerheid is de zoektocht naar vernieuwing in volle gang. Het gaat om modernisering van arbeid in het algemeen: geen vaste contracten meer, altijd bijscholen, domeinen werk en privé die in elkaar overlopen, et cetera. De nieuwe media maken werken overal en altijd mogelijk. Die bewegingen zijn enorm en gaan vele malen harder dan we – ook in De Baliegroep – lang voor mogelijk hebben gehouden.

De beperkingen van de klassieke beschermingsconstructies worden navenant meer zichtbaar. Kortom, het is tijd om ons opnieuw te bezinnen op de herijking van die verzorgingsstaat.

Een belangrijk vertrekpunt is het feit dat de diversiteit tussen mensen is toegenomen en nog steeds toeneemt. Daardoor voldoen uniforme arrangementen niet meer. Tegelijkertijd functioneren mensen niet in het luchtledige, maar zijn ze onderdeel van een groter geheel en dragen ze daaraan bij. Individu en samenleving gaan een relatie met elkaar aan, met voor beide rechten en plichten.

Het is van belang dat die rechten en plichten in balans zijn, dat er wederkerigheid tot stand komt. Individualisering vraagt dus om herijking van het collectief. Deze ontwikkeling heeft ook schaduwkanten en kan pas positief geduid worden, als parallel daaraan collectieve investering en bescherming georganiseerd is.

Onze ideeën over voorzieningen voor werkenden betreffen niet alleen werknemers, maar alle werkenden. We pleiten voor een investeringsregeling, en voor een nationale aanpak in plaats van de huidige veelal sectorale regelingen. Ook zzp’ers en flexwerkers moeten in onze ogen verplicht deelnemen aan een maatschappelijk stelsel voor pensioen, ziekte en arbeidsongeschiktheid.

Deze maatregelen willen we in het debat brengen:

1. Bestaande regelingen rond ziekte, arbeidsongeschiktheid en ouderdom worden omgebouwd naar regelingen voor alle werkenden.

2. Iedereen die inkomen uit arbeid ontvangt, is verplicht deel te nemen aan deze regelingen (vergelijkbaar aan het huidige model van de ziektekostenverzekeringen); door die verplichting is er ook geen risicoselectie.

3. Voor werkenden in een flexibele arbeidsrelatie komt er een bij de werk- of opdrachtgever in rekening te brengen flexibiliseringsopslag die gebruikt kan worden voor deelname aan de verplichte regelingen.

4. Parallel aan de basisvoorziening kent deze pijler ook een investeringscomponent.

5. Sectorale regelingen voor werknemers worden verbreed naar nationale regelingen voor alle werkenden. Zo kan men zonder overstapgevolgen van de ene werk- of opdrachtgever naar een andere stappen.

6. Werkgevers en opdrachtgevers financieren mee aan die regelingen.

Er komt een wettelijke regeling voor aanvullend pensioen, ziekte en arbeidsongeschiktheid waaraan iedereen die inkomen uit arbeid ontvangt verplicht deelneemt. De overheid schrijft voor wat er op deze terreinen minimaal geregeld moet worden. Een verplichting vanuit welbegrepen eigenbelang: hoe groter de schaal, hoe lager de kosten en hoe betaalbaarder het stelsel wordt.

Er kan vanzelfsprekend meer dan dit minimaal afgesproken worden via de cao of overeenkomst van opdracht. De inrichting van de cao wordt hierop aangepast: keuzemogelijkheden in deze overeenkomsten gaan niet meer alleen over tijd en geld, zoals in de huidige cafetariamodellen. Die keuzes worden uitgebreid naar de vraag hoe men wil investeren in de eigen ontwikkeling en naar de mate waarin men zich – bovenop het wettelijk vastgestelde minimum – wil beschermen tegen inkomensachteruitgang door ziekte, arbeidsongeschiktheid, mantelzorg, werkloosheid of ouderdom. De werkende (via individuele afdracht) en de werkgever/ opdrachtgever (middels opslag op loon/ tarief) dragen bij aan het individuele fonds.

Deze voorstellen beogen perspectieven te zoeken waarin institutionele regelingen kunnen bijdragen aan ontwikkeling van mensen en aan invulling van solidariteit die past bij de vragen van nu. Centraal staat de vraag van burgers, niet de regelingen zelf. Zo wordt recht gedaan aan de pluriformiteit in onze samenleving.