Ambassadeur van beschimmeld brood

Na een kort telefoongesprek, want ‘ja’, ik vond het ook heel erg dat we met z’n allen 800 miljoen ton voedsel per jaar weggooien, wat me beeldend werd uitgelegd als een file vrachtwagens van Amsterdam tot Milaan, was ik vorig jaar opeens ambassadeur van Damnfoodwaste, een organisatie die feesten organiseert tegen voedselverspilling.

Ik heb er nog steeds last van.

Eerder deze week mailde ‘Alette’ me dat ze zich kapot had geërgerd aan het tomatengevecht op de Dam in Amsterdam. ‘Van die lieve tomaatjes hadden we toch veel beter ‘discosoep’ kunnen brouwen?’ Ze sloot af met ‘Tot zaterdag bij Damnfoodwaste in Zwolle!’

Nee-nee-nee!

Ik was tegen voedselverspilling, maar van mensen die in ruil voor een gratis kom (disco)soep van gevonden groenten een dansje doen, kon ik helaas geen ambassadeur meer zijn.

Tijdens mijn eerste Damnfoodwaste-festival – vorig jaar op het Museumplein – proefde ik meteen het misverstand. De bedoeling was natuurlijk dat ze me daar zagen als een voorbeeld, maar ik was de generaal die aan de troepen vroeg welke kant ze opgingen. Ik heb gewoon weinig conversatie met mensen die koude koffie opwarmen omdat ze het zonde vinden om oude koffie weg te gooien. Stond ik daar met vrijwilligers die elkaar na de eerste slok verrukt aankeken en tegen niemand in het bijzonder zeiden: „Lekker bakkie zeg!”

‘Nee, vies bakkie’, schreeuwde alles in mij, maar als kersverse ambassadeur slik je zoiets natuurlijk in. Ik slikte wel veel door: een hele kom ‘pittige curry’ van gevonden groenten en een paar geroosterde sprinkhanen.

Een enkeling herkende me van de foto in de krant, daartegen zei ik dat ik goed oplette in de supermarkt, maar dat stadium waren ze allang voorbij.

„Ik kom er soms om een kneusje te redden”, zei een meisje, „een afwijkende peer die anders nooit verkocht wordt.” Ik werd uitgenodigd om mee te gaan met een groepje dat langs de achterkanten van groenten- en fruitkraampjes op de markt liep om daar in de kratjes met onverkoopbare waar te scharrelen.

Ik een keer mee, muts bewust tot ver over de oren getrokken, ambassadeur voelde ik me toen allang niet meer. Eentje hield er triomfantelijk een half verrotte mango omhoog.

“Kijk dan, Marcel!”

Daarna met z’n allen een maaltijd in elkaar draaien met ingrediënten waarvan de houdbaarheidsdatum was overschreden en dan tijdens het opeten ervan de hele tijd tegen mij zeggen dat je ‘het’ gewoon kunt eten.

Ja, je kon het eten en van de kruimels van beschimmeld brood kon je ook koekjes bakken, maar als je daarvoor verlekkerd over je buik gaat wrijven, dan lust je gewoon alles en dat is geen oplossing maar een probleem.