Kunstenaars, kom uit de luwte!

Schouwburgdirecteur Melle Daamen schreef twee kritische stukken (in het CS van 21 en 28 augustus) over het kunstklimaat in Nederland. Kees Vlaardingerbroek, artistiek directeur van de ZaterdagMatinee, reageert.

illustratie olivia ettema

Melle Daamen heeft in uw krant een dappere poging gedaan het kunstklimaat in Nederland te analyseren. Wel was ik verbaasd dat het arme calvinisme als „oorzaak nummer 1” van de malaise op artistiek gebied gebrandmerkt te zien. In de zeventiende eeuw was ons land heel wat meer in de ban van Calvijn dan nu en dat feit heeft de ongekende bloei van onze schilderkunst in die periode niet in de weg gestaan. Sterker nog, je zou je kunnen afvragen of Nederlandse kunstenaars niet door de eeuwen heen een artistieke deugd hebben gemaakt van de spreekwoordelijke soberheid die hier ‘de rigueur’ was en is. Wie zou de kale kerkinterieurs van Saenredam of de verstilde abstractie van Mondriaan willen missen?

Voor mijn gevoel liggen de oorzaken van de artistieke malaise veel dieper in de geschiedenis van de twintigste eeuw verankerd dan Daamen zich misschien realiseert. Ik zal proberen dit te verduidelijken aan de hand van de muziekgeschiedenis. Na de Tweede Wereldoorlog was er een begrijpelijke afkeer van de hoogdravende taal van de Romantiek. Waartoe hadden de opzwepende en hyperindividuele onderbuikgevoelens, waaraan de Romantiek zoveel waarde had gehecht, tenslotte geleid? Precies, tot ongecontroleerde, levensgevaarlijke hartstochten, die nationalisme en de zoektocht naar het volkseigene hadden doen ontaarden in fascisme en racisme. Wagner en Hitler werden in één adem genoemd. Nee, voortaan zou de muziek zich houden aan strenge wetten, de wetten van het intellect. De seriële muziek werd de norm en zelfs de oude Stravinsky bekeerde zich ertoe. De complexiteit van het muzikale materiaal en de rigoureuze toepassing van rekenkundige reeksen bepaalden of een compositie überhaupt ‘actueel’ was , dat wil zeggen: bestaansrecht had. Grote existentiële vragen verdwenen uit het zicht. De componisten die zich tegen deze regeldwang en Verdinglichung verzetten, werden als overbodige relikwieën afgeserveerd.

Een reactie kon niet uitblijven. Die kwam dan ook in de jaren zestig. Componisten als Steve Reich en Philip Glass kwamen met hun mede door Afrikaanse en Indiase muziek geïnspireerde ‘minimal music’, waarin eenvoudig muzikaal materiaal eindeloos werd herhaald. Luciano Berio mengt in zijn Sinfonia onbekommerd elementen uit pop, jazz en Mahlers Tweede symfonie. Deze ‘anything goes’-mentaliteit lijkt te wijzen op een onbegrensde vrijheid, het postmodernisme leek alle taboes te doorbreken. Maar niets was minder waar. Stilistisch was er weliswaar meer ruimte dan in de jaren vijftig, de nieuwe muziek werd toegankelijker voor grotere groepen, maar de geest van de jaren zestig zorgde voor nieuwe, expliciet politieke idealen – en daarmee even zovele taboes: „wij zijn links en antifascistisch en het publiek zal het weten ook”. Of een componist ‘goed’ of ‘fout’ was, hing voortaan minder af van de vraag of hij vernieuwend was, dan van de vraag of hij tot het anti-burgerlijke kamp behoorde. De maatschappij veranderde ten gevolge van de sterk toegenomen immigratie ingrijpend van karakter. Wat deed de Nederlandse kunstenaar met dit gegeven? Die bezong slechts de positieve, zo men wil utopische aspecten van deze ontwikkeling. Hoe kon hij ook anders? Wie wil er met Janmaat of Wilders worden geassocieerd? Als de dreiging van het fundamentalisme al haar weerslag in een kunstwerk of compositie kreeg, dan toch in politiek-correcte termen, bijvoorbeeld in de vorm van kritiek op christelijk, niet op islamitisch fundamentalisme. En zo tierde en tiert het politiek conformisme welig en was en is er voor een aantal werkelijk belangrijke maatschappelijke vraagstukken geen plaats in onze hedendaagse kunst.

En nu? Recente ontwikkelingen binnen en buiten Nederland jagen ons zoveel angst aan, dat wij bereid zijn onvrijheid en censuur te accepteren, als dit onze veiligheid dient. Algeheel demonstratieverbod in Den Haag! Is dat onze toekomst? Je kunt alleen maar hopen dat de kunstenaars van nu zich met zulke vraagstukken gaan bezighouden. Dat zij hun gezichtspunten en gevoelens met ons delen in kunstwerken die superieur zijn vormgegeven en die ons voor onvermoede nuances gevoelig maken. Waarin weer plaats is voor de grote existentiële vragen van leven en dood, zoals in recente meesterwerken van componisten als Michel van der Aa en Willem Jeths. Dan gaat de kunst er weer toe doen en zal de maatschappelijke steun voor de kunstsector weer toenemen.