Geëngageerde kunstenaars: de wereld luistert niet

Geëngageerde kunst is pijnlijk voorspelbaar, vindt criticus Hans den Hartog Jager. Die kunst is altijd links – op een naïeve, clichématige, enkelvoudige manier. De kritische houding van kunstenaars en curatoren is een rituele dans geworden.

De installatie State Britain (2007) van Mark Wallinger, hier in museum Tate Britain in Londen, bestaat uit protestborden tegen de oorlog in IrakFoto AFP

Laten we er niet omheen draaien: kunst speelt nauwelijks een rol van betekenis meer in het maatschappelijke debat. Al denken musea, kunstinstellingen en een flinke groep geëngageerde kunstenaars daar heel anders over.

Op dit moment trekt er een kleine golf van maatschappijbetrokken tentoonstellingen door de Nederlandse musea en de kunstcentra. In het Van Abbemuseum, geleid door de sociaal bevlogen Charles Esche, loopt de tentoonstelling Positions met werk van kunstenaars als Charles van Otterdijk, Céline Condorelli en Bouchra Khalili die de toeschouwer wil doen ‘nadenken over de manier waarop maatschappelijke macht wordt genomen of verleend’. Het Domein in Sittard toont een overzicht van The Yes Men, een Amerikaans duo dat al jaren op humoristische wijze vecht tegen de invloed van het kapitalisme op de wereld en de kunst. In SMBA in Amsterdam richtte Uli Westphal onlangs een alternatieve tomatenkwekerij in om de perceptie van de standaardtomaat te ondergraven. En in het Utrechtse BAK (‘een discursieve ruimte voor de dialoog tussen kunst, kennis en engagement’) is zojuist een nieuwe aflevering van Jonas Staals New World Embassy in première gegaan, waarop hij vertegenwoordigers van ‘verzetsorganisaties’ van over de hele wereld met elkaar in contact brengt – in deze krant stond pas nog een verslag van Staals bezoek aan strijders in Mali.

Dit engagement is goed te begrijpen: de wereld staat in brand en ook kunstenaars voelen zich oprecht betrokken bij het neergestorte vliegtuig in Oost-Oekraïne, bij de IS-moordpartijen in Syrië, bij decennialange strijd tussen Israëliërs en Palestijnen. In hun werk kunnen ze die bezorgdheid, hun betrokkenheid tonen. Er is alleen een probleem: wat kunstenaars maken of doen heeft nauwelijks invloed. De wereld luistert niet. De reden daarvoor lijkt helder: de maatschappij beseft namelijk heel goed dat engagement van kunstenaars altijd tweederangs engagement is, omdat dat engagement altijd in dienst staat van hun kunst. Aan de andere kant: zo’n argument kun je evengoed in stelling brengen tegen geëngageerde schrijvers, denkers, politici, ngo-medewerkers. Ook zij krijgen een goed gevoel van hun engagement en verdienen er (soms) hun geld mee – waarom zouden kunstenaars hun engagement dan niet in hun werk mogen tonen?

Daar zijn verschillende redenen voor, en de belangrijkste is tamelijk fundamenteel: geëngageerde kunstenaars, curatoren, critici, museummedewerkers lijken nauwelijks nog te beseffen welke rol hun werk vervult binnen de maatschappij. Die rol is eigenlijk heel helder: van kunst wordt verwacht dat ze nieuwe, onverwachte beelden, inzichten, ideeën en emoties toont waarvoor binnen de overige maatschappelijke modellen geen plaats is. Goede kunst zorgt voor vernieuwing, voor ontregeling en onvoorspelbaarheid, voor schoonheid, verrassing – kenmerken overigens die in het werk van ‘gewone’ kunstenaars nog ruim baan krijgen. Eigenlijk zou geëngageerde kunst heel goed aan dat kenmerk kunnen voldoen, alleen slaagt ze daar al jaren niet meer in.

Invalshoek

Dat komt allereerst doordat geëngageerde kunstenaars nog maar zelden aannemelijk weten te maken waarom hun engagement de vorm van kunst zou moeten aannemen. Bijna alle geëngageerde kunst begeeft zich op terreinen waarin de maatschappij zelf al in ruime mate voorziet (het barst tenslotte van de politici, goede-doeleninstellingen en ngo’s) waardoor de meeste mensen nauwelijks meer begrijpen wat de artistieke invalshoek eigenlijk toevoegt. Als je echt geëngageerd wilt zijn, waarom maak je dan kunst en word je geen actievoerder of politicus?

Maar wat erger is: de afgelopen decennia heeft de politieke of geëngageerde kunst een van de belangrijkste criteria die kunst tot kunst maken volkomen uit het oog verloren: vernieuwing, ongrijpbaarheid. Geëngageerde kunst is juist pijnlijk voorspelbaar, vooral in ideologisch opzicht: altijd, altijd, is ze ‘links’. Tegen de heersende macht, voor het individu. Tegen geweld, voor de Palestijnen (behalve een enkele Israëliër natuurlijk). Tegen de markt, ‘neoliberalisme’ en kapitalisme. Voor vluchtelingen en statelozen. Tegen fabrieken, voor kleine producenten. Maatschappijbetrokken kunst is kortom niet zozeer links, ze is links op een naïeve, clichématige, enkelvoudige manier waarmee je binnen de politiek al zeker vijftien jaar niet meer kunt aankomen, misschien op een enkele verdwaasde geest na in de uithoeken van GroenLinks.

In geëngageerde kunst is het de norm.

Vreemd genoeg lijkt in de kunstwereld iedereen blind voor dit mechanisme. Waar men normaal enorm alert en kritisch is op alle kunst die neigt naar een vastomlijnd wereldbeeld (bijvoorbeeld in realistische kunst of bij ambachtelijkheid) durft niemand te tornen aan de linksheid en de vooruitstrevendheid van kunst. De reden die daarachter zit, is misschien wel het grootste probleem van de huidige kunstwereld – maar om dat beter te begrijpen moeten we eerst terug naar de wortels van het huidige kunstsysteem, naar de Romantiek die zo’n dikke tweehonderd jaar geleden begon.

Tot dat moment was kunst altijd dienstbaar geweest aan de samenleving: kunstenaars maakten wat de kerk, de macht, de bourgeoisie van hen verwachtten. De Romantiek brak daarmee: die vond dat kunstenaars niet langer dienstbaar hoefden te zijn, maar dat hun individualiteit, hun unieke persoonlijkheid steeds meer onderscheidend moest zijn voor hun kunstenaarschap. Ieder artistiek oeuvre werd een persoonlijk universum waarbinnen de kunstenaar als een godheid de wetten en regels bepaalde – en daarbij werd van hem of haar verwacht dat hij of zij zich zo min mogelijk van de buitenwereld aantrok. Vanaf de Romantiek werd kunst synoniem aan vrijheid – van vorm, van ideeën, van expressie. Maar ondertussen kon die vrijheid alleen maar bestaan omdat er ook een stilzwijgende afspraak met de maatschappij was gemaakt: om tot die nieuwe ideeën te kunnen komen, mochten kunstenaars meer dan ‘gewone’ mensen: ‘artistieke vrijheid’. Daarvoor moesten ze alleen wel hun maatschappelijke invloed inleveren. Wat kunstenaars ook deden, experimenteerden: de maatschappij vond het prima, zolang kunstenaars maar niet verwachtten dat hun ideeën nog een rol speelden in het alledaagse maatschappelijke debat. Dat was de prijs voor de vrijheid.

En het werkte. Van het midden van de negentiende eeuw tot ver in de jaren tachtig van de twintigste testten kunstenaars maatschappelijke grenzen op hun merites, lieten ze nieuwe vormen, ideeën, emoties op de wereld los – en de maatschappij accepteerde het. Maar daardoor begon de kunstwereld ook te geloven dat ze synoniem was met vernieuwing, met progressie – kunst was, kortom, ‘links’ geworden. Aanvankelijk gebeurde dat min of meer per ongeluk, als bijproduct van de artistieke vrijheid, maar vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw gingen geëngageerde kunst en ‘links’ vanzelfsprekend hand in hand. Zo vanzelfsprekend dat niemand die linksheid nog wilde betwijfelen.

Autonomie

Maar ondertussen is er het nodige veranderd. Links is al lang de norm niet meer in de maatschappij en ook de autonomie van de kunstenaar is niet vanzelfsprekend meer. In die omstandigheden begint de diepgewortelde combinatie van enkelvoudige ‘linksheid’, zelfingenomenheid en wereldvreemdheid de geëngageerde kunst steeds meer op te breken. Geëngageerde kunstenaars gedragen zich nog steeds alsof hun artistieke vrijheid onaantastbaar is, terwijl hun werk ideologisch zo voorspelbaar is, artistiek zo oninteressant, dat ze hun eigen claim op autonomie en vrijheid hardhandig ondergraven. En dat probleem wordt nijpender nu de maatschappij, sinds het wegvallen van de avant-gardes, ook begint te twijfelen over de rol van kunst als voedingsbodem voor verfrissende vormen en nieuwe ideeën.

Niet voor niets proberen politici en subsidiegevers de laatste jaren de artistieke autonomie steeds verder in te dammen en hoor je steeds vaker de suggestie dat zulke nieuwe ideeën even makkelijk kunnen worden geleverd door commerciële bedrijven – die passen zich ook nog eens zonder morren aan de maatschappelijke normen aan. Waar heeft kunst die uitzonderingspositie dan nog voor nodig? Waarom zou de maatschappij kunst nog geld en autonomie verschaffen? Om die reden waren de protesten tegen de kunstbezuinigingen van enkele jaren geleden ook zo pijnlijk. Die bevestigden niet alleen dat de kunstwereld haar rol binnen de maatschappij nogal stevig uit het oog was verloren, het voedde ook het vooroordeel dat die gekoesterde artistieke autonomie voor veel kunstenaars eigenlijk een claim was op geld.

Het rare is dat kunstenaars als Hito Steyerl, Jonas Staal of Jeanne van Heeswijk en dito curatoren als Charles Esche, Maria Hlavajova of Jelle Bouwhuis, die zich heel gretig druk maken om allerlei maatschappelijke ontwikkelingen, dit elementaire probleem in hun eigen wereld nauwelijks de moeite van het overdenken waard lijken te vinden. Steeds vaker vraag ik het me af: zijn ze nou werkelijk zo naïef dat ze niet doorhebben dat hun ‘engagement’ gewoon een integraal onderdeel is van de carrousel van kunstproductie, subsidies en (museale) tentoonstellingen? Dat hun zogenaamde kritische houding al lang niet meer is dan een rituele dans, opgevoerd in een beschermd reservaat dat door de maatschappij als steeds exotischer wordt ervaren? Dat misschien juist die bezuinigingen, door sommige politici zo pijnlijk triomfantelijk gepresenteerd, niet alleen in Nederland maar in heel Europa, wel eens een uitstekend moment zouden kunnen zijn geweest om een nieuwe verhouding tot de maatschappij te bepalen?

Nog erger is misschien echter wel dat de huidige golf van enkelvoudig geëngageerde kunst de geloofwaardigheid van de kunst als geheel ondergraaft. ‘Geëngageerde’ kunstenaars als Jonas Staal en curatoren als Charles Esche bevestigen alleen maar het beeld van de kunstwereld als zelfingenomen en niet in staat tot zelfkritiek. Ze lijken niet door te hebben dat ze beter een andere ideologische strijd zouden kunnen strijden: als ze werkelijk willen dat kunst weer invloed krijgt op de maatschappij, zullen ze eerst het eigen ideologische fundament moeten herijken.

In plaats van politici de les te lezen, airmiles te verzamelen door over de hele wereld tentoonstellingen te maken of verzetsorganisaties in Mali te steunen, zouden de Stalen en Steyerls, de Esches en de Hlavajova’s hun eigen functioneren en de rol van het engagement in de kunstwereld eens kritisch onder de loep moeten nemen – ‘starting with the man in the mirror’ om de grote geëngageerde kunstenaar Michael Jackson maar eens aan te halen.

Laat ze nieuwe paarden van Troje gaan fabriceren als ze werkelijk iets willen veranderen, zoals kunstenaars als Renzo Martens of Yael Bartana zo intelligent en prikkelend doen – kunstenaars trouwens die ideologisch helemaal niet eenduidig zijn en juist daarom weten te prikkelen.

Maar je kunt als kunstenaar ook proberen de kunstmarkt te verleiden tot het ondergraven van zichzelf (waarin ‘rechtse’ kunstenaars als Jeff Koons en Damien Hirst opvallend goed slagen en die daardoor meer maatschappelijke impact hebben dan alle ‘linkse’ kunstenaars bij elkaar), ga ondergronds of zoek inspiratie bij culturen waar kunst en maatschappij niet nadrukkelijk zijn gescheiden – wat dat betreft zit Staal daar heel goed, in Mali.

Dat is namelijk de crux: kunstenaars en curatoren die werkelijk geëngageerd willen zijn, moeten er eerst voor zorgen dat de kunst een nieuwe maatschappelijke rol vindt, pas daarna heeft ze de autoriteit om de maatschappij een alternatief te laten zien. Red eerst de kunst en dan de wereld – verzin een list, bouw een paard, richt een nieuwe Romantiek op. Nu heeft de kunst die vrijheid nog. Nog wel.