Column

Een kabinet op zoek naar 12 verloren jaren

Je kunt het spin noemen, of professionele opgewektheid, maar de begroting van 2015 die dinsdag door het kabinet-Rutte II werd gepresenteerd ademt voor het eerst in tijden een voorzichtig optimisme. De toekomst ziet er wat beter uit, de pijn is achter de rug. Niet dat het lijden helemaal voorbij is: de overheveling van zorgtaken van Rijk naar gemeenten per 2015 barst van de unknown unknowns.

Volgend jaar volgen de Statenverkiezingen, die de politieke verhoudingen op scherp kunnen zetten. Houtrot kan het kabinet dat vanaf nu ‘te weinig te doen’ zou hebben van binnenuit eroderen. Misschien dat het nogal vage, nieuwe belastingplan te vergelijken is met de verbouwing of verhuizing die een gedoemd huwelijk moet gaan redden.

Maar alles bij elkaar zou je denken dat Rutte II wel gek zou zijn om er tussentijds mee op te houden. Wat is er beter dan nog 2,5 jaar economisch herstel af te wachten en dan met de Tweede Kamerverkiezingen te oogsten?

Dat leidt tot de volgende vraag: is er dan tegen die tijd iets te oogsten? Hoe het verder gaat met de Nederlandse economie is een totale black box. Een peiling van economensite Me Judice vond in de beroepsgroep een vrijwel totale verdeeldheid over de vooruitzichten. Het Centraal Planbureau rekende onlangs drie scenario’s door die varieerden van redelijk herstel tot eeuwig kwakkelen.

Maar laten we eerst eens kijken waar we vandaan komen. Het bruto binnenlands product (laten we dat de ‘welvaart’ noemen) bedroeg in 2008, het jaar waarin de financiële crisis begon, 646 miljard euro. De crisis was zó erg dat dat bbp dit jaar nog steeds niet op dat niveau terug is: bij een economische groei van 0,75 procent in 2014 kom je uit op 632 miljard. En als de prognose van 1,25 procent groei in 2015 klopt, dan is het bbp volgend jaar 640 miljard. Pas in 2016, het jaar voor de volgende verkiezingen, kan de welvaart van 2008 weer worden geëvenaard. Denk je eens in: acht jaar na dato! En dan is de tussentijdse bevolkingsgroei nog niet eens meegerekend, want welvaart meet je als bbp per hoofd van de bevolking. Stel nu het volgende: de economische groei bedraagt voorlopig 1,25 procent en de bevolking groeit even hard als in de laatste zes jaar. Dan duurt het tot 2020 tot het bbp per hoofd van de bevolking weer terug is op het niveau van voor de crisis.

Zo zijn er meer harde boodschappen. De consumptieve bestedingen van huishoudens – dat wat we met zijn allen uitgeven aan consumptie, was in 2001 hoger dan hij nu is. Dat is 13 jaar geleden. En ook dat herstel zal nog duren.

Al deze gegevens tonen aan hoe ongekend hevig de crisis is geweest – en nog is. We zijn inmiddels zo murw dat we de voorspelde economische groei van 1,25 procent ‘herstel’ noemen. En zelfs dat valt nog te bezien. Het vertrouwen van consumenten, dat vóór de zomer aan een indrukwekkende opmars bezig was, daalde nu voor de tweede maand op rij.

Daar staat tegenover dat er ook onvoorziene krachten kunnen zijn die er juist voor zorgen dat we de weg omhoog sneller vinden. Natuurlijk: Nederland is een notedopje op de golven van de internationale conjunctuur. Maar er zijn ook ‘eigen’ karakteristieken. De Bank voor Internationale Betalingen presenteerde begin deze week een internationaal vergelijkend onderzoek naar de ontwikkeling van huizenprijzen. Die vertonen vrijwel geen samenhang tussen landen en bewegen zich onafhankelijk van wat er elders gebeurt. Daar zit misschien het lichtpuntje. Stijgende woningprijzen hebben gezorgd voor de boom-jaren tot 2007. De implosie van de woningmarkt heeft de crisis sindsdien verergerd. Misschien dat het herstel van de woningmarkt nog een impuls geeft die ons zal verbazen. We zullen het hard nodig hebben.