Een crimineel die stopt is een held

Zet straatboeven niet routineus vast. Pak hun blingbling af, zegt nieuw onderzoek.

Jongens van 15, 16 jaar stoppen makkelijker met criminaliteit dan oudere veelplegers. Voor de oudere jongens is criminaliteit een wezenlijk deel van hun identiteit geworden. Foto ANP

Hoe kan de jonge veelpleger worden gestopt? De jongens die niet willen deugen, die zich niet laten afschrikken door straffen? Het is de heilige graal van het veiligheidsbeleid. De criminaliteit daalt, en toch voelen veel mensen zich onveiliger. Dat komt mede door het type criminaliteit van de jeugdige veelpleger: straatroof, inbraken, geweld.

Hoogleraar jeugdbescherming Ido Weijers heeft samen met Diane van Drie onderzocht hoe dat gaat, ophouden met criminaliteit. Daarover is weinig bekend, terwijl de meeste jonge veelplegers ergens tussen hun 18de en 28ste stoppen. Waarom stoppen zij, na een onafzienbare reeks vergrijpen uiteindelijk toch? En vallen ze tussentijds nog terug? „Als we beter begrijpen hoe dat gaat, kan er gerichter worden ingegrepen”, zegt Weijers. Op 25 september presenteert hij op een congres de resultaten van zijn onderzoek, inclusief aanbevelingen voor efficiënter ingrijpen.

Waarom stoppen jongeren met criminaliteit?

„Aan de ene kant voelen ze dat ze er te oud voor worden. Ze zijn geen ‘straatjongens’ meer. Aan de andere kant vereist écht stoppen ook zelfreflectie en actief ingrijpen: zelf kappen met ingesleten gewoontes en oude straatvrienden, en erkennen dat je naasten hebben geleden onder je gedrag.

„Stoppen is heel ingewikkeld, vooral als de jongens wat ouder zijn. Het is een heldendaad. Deze jongens moeten ophouden met iets waar ze goed in zijn, waar ze hun identiteit aan ontlenen. In plaats van een ‘jongen van de straat’ worden ze een man met verantwoordelijkheden. Ze worden afhankelijk: van een werkgever, vriendin, familie. Ze raken hun – criminele – vrienden kwijt. En ze moeten aanvaarden dat ze in de maatschappij losers zijn – zonder opleiding en met weinig kansen op een goede baan.”

Hoe gaat dat dan, stoppen?

„Je kunt stoppen met criminaliteit vergelijken met afkicken van een verslaving. Het is een proces: volharden, erkennen, voorbereiden en consolideren. Volharders zien eigenlijk geen problemen in hun criminele levensstijl. Ze hebben geld, meer dan ze met een baan op hun opleidingsniveau zouden verdienen, en af en toe vastzitten hoort erbij. Erkenners zien wel in dat de criminele levensstijl problemen geeft, zoals onzekerheid en het steeds vastzitten. ‘Als we een kindje krijgen, kan je geen stomme dingen meer doen’, zeggen ze dan bijvoorbeeld. Ze zijn het zat, maar zien nog geen mogelijkheden om te stoppen.

„De voorbereiders zetten wel al stappen om te stoppen, maar vallen soms nog licht terug. Deze groep ontwikkelt ook schaamte en een schuldgevoel. Niet ten opzichte van het slachtoffer, maar van hun ouders, familie, hun vriendin. ‘Mijn moeder, pfoeh, die heeft wat doorgemaakt met mij.’ Ze nemen steeds meer afstand van hun vroegere levensstijl.”

Waarom stoppen ze uiteindelijk?

„Dat is af te leiden uit waarom de echte volharders doorgaan: vanwege de opbrengst. Ze zien alleen maar voordelen. Wie stopt, doet dat omdat het genot en het gemak tegenvallen. En daarmee wordt de prijs van hun criminele levensstijl te hoog. Dat is de kern.”

Heeft u nog iets ontdekt wat u verbaast?

„Dat er zo’n groot verschil is tussen jonge en oudere veelplegers. Voor jongens van 15, 16 jaar, die al echt veel op hun kerfstok hebben, is het toch relatief eenvoudig om te stoppen met criminaliteit, terwijl het voor jonge mannen van 18 en ouder veel ingewikkelder is. Voor hen is criminaliteit hun levensstijl en een wezenlijk onderdeel van hun identiteit.”

Moeten de jeugdcriminaliteit nu anders worden aangepakt?

„De eigen motivatie blijkt essentieel bij de beslissing om te stoppen. Reclassering moet dus de mogelijkheid krijgen om nuchter te kijken naar de feitelijke strafrechtelijke gedragingen van die jongeren. En daarvan moet afhankelijk zijn of de jongeren steun krijgen en hulp bij huisvesting en dergelijke. Dat moet niet onvoorwaardelijk zijn. Anders lachen ze je uit.

„Je moet vooral voorkomen dat minderjarige veelplegers in de routine van de echte veelpleger terechtkomen. Er wordt te lang doorgegaan met het routineus opleggen van taakstraffen. Die jongens krijgen steeds kansen, terwijl het keiharde, calculerende criminelen zijn.

„Als een jongere eenmaal gepakt is voor vijf vermogensdelicten, dan weet je dat het er minstens drie keer zo veel zijn. Dan gaat het niet meer om de spanning, maar is het calculerend gedrag. Dan moet je stoppen met de routineuze benadering van taakstraf of detentie. Vastzetten maakt die jongens alleen maar stoerder op straat.”

Wat moet je dan wél doen?

„Je moet ingrijpen op datgene wat hen echt raakt. De blingbling weghalen. Juist de groep die denkt: wij hebben geen probleem, we hebben geld zonder te werken, die moet je precies die lol afnemen.”

Hoe?

„Je kunt zo’n jongere voor langere tijd onder een soort financiële curatele plaatsen. Ze moeten zeer regelmatig, wekelijks bijvoorbeeld, worden gecontroleerd op hun bezittingen. En als ze niet kunnen aantonen dat ze die laptop, scooter of auto legaal hebben gekregen, wordt hij afgenomen. Dan is de lol er snel af.”

Het klinkt allemaal nogal hard. Vang je daarmee niet te veel jongeren die kattekwaad uithalen?

„Juist niet. Er is nu juist een trend van criminalisering van Dick Trom-gedrag, van kattekwaad. Onderzoek heeft laten zien dat de afgelopen decennia de kwalificatie van (verbale) bedreigingen en vechtpartijtjes is opgerekt en dat daarop steeds strenger is gereageerd. Zeker op scholen. Vechtpartijtjes worden niet meer gezien als ordeprobleem en overal wordt de politie bij gehaald, terwijl je daar als school de ouders bij moet halen, niet de politie. Als je te zwaar inzet op lichte vergrijpen, dan treedt gewenning op. Bijna alle veelplegers zijn begonnen met winkeldiefstal, maar lang niet alle winkeldieven worden veelplegers.

„Er is een vergelijkbare tendens in de jeugdbescherming. Door alles serieus te nemen, dreigen de ernstige probleemgevallen te weinig aandacht te krijgen.”