De zin van het leven lokt lullige woordspelingen uit

Deze week zou dichter en schilder Lucebert negentig zijn geworden. Hij correspondeerde met bewonderaar Cor de Back over zijn poëzie en het leven.

Lucebert in 1987: „holland/nederland IS een achterlijk land”

‘Voor uitvoerige correspondentie heb ik geen tijd”, schreef Lucebert (1924-1994). Maar daarop volgde een grote stroom informatie, in de brief die ik in februari 1961 ontving van de Keizer der Vijftigers, die deze week (op 15 september) negentig jaar geleden geboren werd. Ik was negentien en een groot bewonderaar van de dichter. Per brief had ik hem gevraagd naar de bronnen, en de achtergronden van de „experimentele” poëzie, informeerde naar zijn kijk op de mens en de wereld en – niet te vergeten – naar de zin van het leven. Met de vraag over de mens kon hij weinig beginnen, schreef hij. In de oorspronkelijke spelling en interpunctie: „mijn dichterlijk gemoed blijft lauw. ik weet echt niet wat ik ervan moet zeggen. dat ik wat voel voor aardige mensjes en minder voor minder aardige mensjes, dat ik het als mensje een grote wereld om me heen vind soms, maar soms ook een verdomd klein wereldje, het staat allemaal al duizend maal duidelijker in mijn gedichten uitgedrukt.”

De vraag naar de zin van het leven deed hem zelfs naar de kapitalen grijpen: „o jé! die vraag naar DE ZIN VAN HET LEVEN lokt vandaagdendag toch wel lullige woordspelingen uit in de trant van, de zin van het leven is dat men er zin in heeft. [...].” Hij vervolgde: „dat er inderdaad zoveel ‘zinnen’ als ‘hoofden’ zijn. en ikzelf ben wel zozeer een gespleten oftewel een modern mens dat ik in de praktijk van het leven tot zeer vele zeer uiteenlopende zingevingen kom. raadpleeg ik mijn sterk naar mystiek neigende natuur dan vind ik in diepste grond geen enkele zin, omdat voor de mystiek het wezenlijke vormeloos en ‘onbetekend door betekenissen’ is. [...]. al met al, toch nog wel zoiets als een antwoord. ik wens u geluk, ik ben in een goede bui.”

De vragen naar de her- en toekomst van de experimentele poëzie leverde dadelijk een hele rij voorgangers op: „leest u cendrars, lorca, alberti, montale, pound, stevens, moore, benn, thomas, eluard, char, artaud, etc. etc. allemaal ouwe sokken, die stokoud zijn of al helemaal dood. maar daar toch hebben wij de mosterd vandaan gehaald.” Niet alleen allemaal doden, ook allemaal buitenlanders, want:

„holland/nederland IS een achterlijk land. Wat overal al lang gewoon moderne poëzie was, dat werd hier aangezien voor vreselijk revolutionair. ja, ja, zo is het. wat men niet kent, dat vreet men niet en wij indertijd jonge dichters zaten maar met de achterlijke boeren [...] een nederlandse poëzie? ja, maar dat is zo iets als een wonder. gorter is een mirakel, evenals leopold. [...] maar wat zal blijven is de persoonlijke inzet van de dichter, wat blijven zal is de zielsontsluiter, het gedicht. [...] ja, dichters schrijven alleen voor ‘dichters’. en ik hoop dat u, mijnheer de back, dat ook bent en ook hoop ik dat u zich zult houden aan wat u zelf bent, een verraste, een geërgerde, een geestdriftige, een wanhopige, maar ook een overdreven gewetensvolle, een roekeloze, voorzichtige waarnemer van het geheim van uw en andermans poëzie.”