Veel lawaai, maar zo spectaculair zijn de plannen helemaal niet

De begroting die het kabinet gisteren presenteerde is vooral behoedzaam. En een kabinet dat geen gekke dingen wil doen, brengt het beleid dat er wél is spectaculairder. Vijf voorbeelden.

Het Nederlandse antwoord op een onzekere wereldeconomie: geen gekke dingen doen met de rijksfinanciën. De Miljoenennota 2015 die gisteren werd gepresenteerd staat in het teken van behoedzaamheid. Het kabinet-Rutte II toont zich behoedzaam in de begroting zelf en, in de woorden van minister Dijsselbloem van Financiën, vooral „behoedzaam in het doen van al te stellige uitspraken over de toekomst”. Spanningen rond Oekraïne, onzekerheid over de energievoorziening van Europa en over de gevolgen van opkomst van IS – het woord ‘geopolitiek’ is geheel terug in het politieke vocabulaire.

De economische vooruitzichten die ten grondslag liggen aan de begroting zijn, gezien de recente geschiedenis van recessie, niet slecht: 0,75 procent economische groei dit jaar en 1,25 procent groei in 2015. De inflatie is zeer laag: 1 procent dit jaar en 1,25 procent volgend jaar – een ontwikkeling die ongetwijfeld heeft bijgedragen aan de stijging van de koopkracht. De werkloosheid stijgt dit jaar nog tot 620.000 mensen, maar neemt volgend jaar af tot 605.000, bij een zeer licht stijgende werkgelegenheid. En de consumptie van huishoudens kan voor het eerst in zeer lange tijd weer omhoog, met 1 procent.

Zo komt het kabinet aan bij een begrotingstekort dat volgend jaar zakt tot 2,2 procent van het bruto binnenlands product (bbp) en een staatsschuld die nauwelijks nog stijgt. Maar of dat er allemaal van komt, is onzeker. Het Centraal Planbureau, verantwoordelijk voor de economische schattingen, hield begin dit jaar al rekening met onzekere energieprijzen, die sterk kunnen stijgen als de spanningen rond Oekraïne bijvoorbeeld verder oplopen. In de ‘Macro Economische Verkenningen’ die de Miljoenennota begeleiden heeft het CPB een nog grotere onzekerheidsvariant meegenomen.

Een groeiend koor van economen en instituten dringt juist wel aan op hogere uitgaven om daarmee de economie te stimuleren. Daar geeft Rutte-II nauwelijks gehoor aan. De Raad van State schrijft juist in zijn advies over de Miljoenennota dat hogere financiële buffers nodig zijn, en ook meer hervormingen.

Een kabinet dat geen gekke dingen wil doen rest weinig anders dan het beleid dat er wél is met wat meer spektakel te presenteren. Vijf voorbeelden.

1De koopkrachtstijging komt vooral door de daling van de inflatie.

Op de inflatiestijging heeft het kabinet geen vat en kan daar dus ook nauwelijks de eer voor opeisen.

2 De verlaging van het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting is in feite een verhoging.

Gisteren kondigde het kabinet een verlaging van het tarief aan met een half procent. Maar vorig jaar was er al een tijdelijke verlaging van 0,75 procent geweest. Het belastingtarief in die eerste schijf (voor inkomens tot 20.000 euro) kwam daarmee uit op 36,25 procent. Het zou met ingang van 2015 weer omhoog gaan met ruim een half procent. Maar het kabinet heeft nu besloten om die verhoging te halveren tot 36,5 procent. Dat klinkt positief, maar doet voor de laagste inkomens toch pijn op het loonstrookje.

3Er is nog geen plan voor de 15 miljard aan lastenverlichting.

Het kabinet kondigde gisteren een lastenverlichting van 15 miljard aan om op termijn 100.000 banen mee te creëren. Als dat letterlijk zo was, zou het neerkomen op 150.000 euro per gecreëerde baan – nét onder de balkenendenorm dus, voor honderdduizend aan het werk geholpen landgenoten. Nadere beschouwing leert dat er nog eigenlijk helemaal geen plan is, laat staan een financiële dekking.

4 Het extra geld voor Defensie, 100 miljoen euro per jaar, is in wezen een minder grote bezuiniging.

Sinds het vorige kabinet, Rutte I, heeft dit departement immers reeds 1,4 miljard moeten inleveren.

5En dan is er nog het Toekomstfonds uit de aardgasbaten, dat gisteren een grote rol speelde bij de presentatie van de begroting.

Dat fonds wordt 200 miljoen euro groot, en uit het rendement van dat bedrag zal fundamenteel onderzoek worden gefinancierd. Maar het eerste jaar, dit jaar nog, gaat er maar 125 miljoen in. Het rendement daarop, voor de overheid in wezen de rente op niet-geleend geld, is zo’n 1 procent. Waardoor er kennelijk zo’n 1,25 miljoen euro zal worden uitgekeerd aan onderzoek, op een totale rijksbegroting van 260 miljard.

Zelden zal zo veel energie en spreektijd op Prinsjesdag zijn besteed aan een uitgavenpost van 0,0005 procent van de rijksbegroting.