‘Je moet de lichamelijkheid voelen’

die varkentje Babe en tijger Richard Parker animeerde, is speciale gast op het Nederlands Film Festival.

Het was min of meer toeval dat visuele-effectentovenaar Erik-Jan de Boer dierenspecialist werd. Het gebeurde al doende. Zo wekte hij het pratende biggetje Babe digitaal tot leven, en later stokstaartjes, vliegende vissen en de woeste Bengaalse tijger Richard Parker in de speelfilm Life of Pi. Voor het oogstrelende werk in die laatste film ontving hij samen met zijn collega’s een Oscar.

Op dat moment was de stemming somber: Rhythm & Hues, het specialeffectsbedrijf uit Los Angeles waarvoor hij jarenlang had gewerkt, was elf dagen eerder failliet gegaan. Concurrentie van bedrijven die belastingvoordelen genoten in Canada, Engeland en Nieuw-Zeeland deden Rhythm & Hues de das om. De Boer: „Ik had het er erg naar mijn zin, maar er is tegenwoordig weinig actie meer in Los Angeles. Na het faillissement ging het snel bergafwaarts: een nieuwe eigenaar en een doorstart in afgeslankte vorm, waardoor de bedrijfscultuur veranderde.” Dus pendelt hij nu tussen Los Angeles en een appartement in Vancouver, waar hij werkt voor Method Studios.

Op het Nederlands Film Festival geeft De Boer volgende week een lezing en biedt een kijkje in zijn keuken, verluchtigd met spectaculaire beelden van het maakproces van onder meer Life of Pi en de meest recente films waaraan hij werkte: The Maze Runner en Night at the Museum 3.

Zo keert De Boer terug naar de stad waar het ooit allemaal begon. In Utrecht studeerde hij midden jaren tachtig aan de Hogeschool voor de Kunsten (HKU). Eerst een jaartje op de modeafdeling, maar toen de opleiding aan computeronderwijs ging doen, switchte hij. Zijn vader had een Commodore 64 en al snel kreeg hij de beschikking over een Amiga, waarna ‘het spelen’ kon beginnen. In 1989 ging hij aan de slag bij postproductiebedrijf The Moving Picture Company in Londen, waar hij zeven jaar lang reclamefilmpjes met computereffecten maakte voordat hij in 1996 verder trok naar Los Angeles, om daar aan speelfilms te werken. Hij kwam terecht bij het toonaangevende visualeffectsbedrijf Rhythm & Hues. De Boer: „Zij hadden met het pratende varkentje Babe een techniek ontwikkeld waardoor ze werk aantrokken dat live action en CGI combineerde. Het technische niveau en het vakmanschap dat daarbij komt kijken, fascineert me.”

Pratende varkentjes

Zijn carrière valt vrijwel naadloos samen met de digitale revolutie en de opkomst en doorbraak van Computer Generated Imagery (CGI): het via computers vervaardigen van visuele effecten die niet van echt te onderscheiden zijn, meestal met fotorealisme als norm. Dat was een gradueel proces. Eerst kregen animatoren het namaken van water onder de knie, vervolgens vacht, daarna haar. De Boer maakte het allemaal mee.

„Wij begonnen bij Rhythm & Hues met pratende varkentjes (de twee Babe-films), en dat was een heel effectieve manier om dieren van emoties te voorzien. Omdat de fotografie van de dieren echt was, werd het overtuigend. We hoefden alleen maar de kaak te manipuleren. Bij Babe 2 voegden we een tong toe en deden we meer met de ogen en wenkbrauwen.

„Zo gingen we stapje voor stapje richting volledige computer graphics-dieren. In Cats & Dogs maakten we onze eerste volledige CGI-beesten, Industrial Light and Magic van George Lucas deed datzelfde met dinosauriërs in Jurassic Park en beesten in Jumanji. Wij deden ook Scoobie Doo, Garfield, Alvin & the Chipmunks: allemaal wat meer cartoondieren. In 2005 volgde The Chronicles of Narnia, waarin de fotorealistische leeuw Aslan zit. Aslan moest er qua anatomie en beweging fotorealistisch uitzien, maar uiteindelijk doet hij toch zijn mond open en begint hij te praten, waardoor je weet dat het een nepdier is.”

Puur tijger

„Voor Life of Pi kregen we een schitterende opdracht: we moesten ervoor zorgen dat niemand doorhad dat de tijger die het jongetje Pi op zijn boottocht vergezelt nep was. We wilden de kijker overtuigen dat Pi echt zo lang met die tijger op de boot zat. We hoefden nooit met de illusie te breken door de tijger te laten dansen of praten. Hij kon altijd puur tijger blijven. De neiging om dieren te vermenselijken is er altijd: dan moest de tijger bijvoorbeeld verbazing en angst uitdrukken. Maar wij probeerden daar zo dierlijk mogelijk in te blijven, zonder de expressies die je in een menselijk gezicht verwacht.

„Waar ik met mijn animators altijd aan denk, is dit: als jij het gewicht van het beest niet voelt, als je zijn lichamelijkheid niet echt gelooft, is de illusie sowieso al verbroken. Wat ik dus altijd zoek, zijn manieren om de kijker te overtuigen dat het beest aanwezig is op de set. Dat begint met de poten die de grond aanraken. Dat is 250 kilo, dat is een stevig druk van de poot op grond. Om het gewicht en de aanwezigheid van het beest over te brengen, gebruiken we allemaal trucjes. Zijn staart botst bijvoorbeeld tegen een boom of tegen de boot aan.”

In vergelijking met 25 jaar geleden zijn computers razendsnel geworden en is veel animatiesoftware gestandaardiseerd in pakketten die gewoon te koop zijn: water, spieren, vacht, haar, bewegingssimulatie, massa-scènes. Op de vraag wat nog niet kan en wat de volgende uitdaging is, moet De Boer lachen: „Ik baal er altijd van dat ik journalisten niks sappigs mee kan geven, maar ik denk zeker dat we nog steeds veel moeite hebben met heel complexe dingen, qua kwantiteit en schaal. Ook het volledig animeren van fotorealistische mensen is een uitdaging, maar ik vermoed dat dit nog niet gebeurt omdat er nog geen echt goede reden voor is.”