In de mist is de automobilist de zwakke schakel

Automobilisten onderschatten het gevaar van mist, zoals gisteren in Zeeland. Alleen de A16 heeft een detectiesysteem.

„Stralingsmist”, zegt klimatoloog Rob Sluijter van het KNMI over de mist die gisteren op de snelweg A58 in Zeeland leidde tot drie enorme kettingbotsingen kort na elkaar. Mist door afkoeling, in vochtige gebieden met veel water of weilanden, doorgaans bij een klein zuchtje wind. Sluijter: „Iedereen die op de weg zit, weet wat ik bedoel. Je rijdt in een stad met beton en steen en er is niets aan de hand. Rij je de stad uit, dan hangt boven het land ineens mist.”

Het KNMI had gisteren gewaarschuwd voor dichte mist in onder meer Zeeland. Het zicht was bij twee meetpunten op Walcheren en Zeeuws-Vlaanderen respectievelijk 93 meter en 52 meter. Buiten die meetpunten kan het zicht lokaal nog veel slechter zijn geweest. Hoe dan ook, de mist was verraderlijk. Automobilisten spraken van een plotseling neervallend „gordijn”.

Dat komt meteoroloog Wim Zikkenheimer van MeteoGroup bekend voor. „Juist in deze tijd van het jaar kan er sprake zijn van soms heel dunne mistbanken waar de zon doorheen schijnt en die de mens kunnen verblinden. Vergelijk het met groot licht van koplampen in de mist, die het zicht vaak nog verslechteren.”

Bij de kettingbotsingen op de snelweg tussen Middelburg en Goes, ’s ochtends vroeg in oostelijke richting, waren ongeveer honderdvijftig voertuigen betrokken. Er vielen twee doden. Zo’n ongeval is relatief zeldzaam, vertelt onderzoeker Henk Stipdonk van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV). „Bij 1 procent van alle dodelijke ongevallen speelt mist een rol.”

Het grootste ongeval in de mist op de Nederlandse snelwegen dateert van augustus 1972. Toen reden vracht- en tankwagens in op een ongeval in plots opgekomen mist op de A16 bij Prinsenbeek. Er vielen dertien doden en tientallen gewonden. In november 1990 was het op dezelfde locatie opnieuw raak. Toen vielen acht doden.

De vraag is wat Nederland kan doen om zulke ongevallen te voorkomen. Na de ongevallen bij Prinsenbeek plaatste Rijkswaterstaat begin jaren 90 een detectiesysteem: sensoren die mist signaleren en verbonden zijn met de matrixborden boven de snelweg. Bij dichte mist worden automobilisten gewaarschuwd en gemaand snelheid te temperen. Het systeem is nooit landelijk ingevoerd. Het zou te duur worden, meldt Rijkswaterstaat, en bovendien kleven er nadelen aan, aldus een onderzoek uit 2001. Héél dunne, gevaarlijke mistflarden worden niet altijd gesignaleerd. Ook is de voorgeschreven maximumsnelheid bij de waarschuwing vaak te hoog. „Zwakke schakel” is bovendien het gedrag van de automobilist, omdat hij het gevaar van mist en mistbanken onderschat. „Er treedt nauwelijks of geen leereffect op naar aanleiding van mistongevallen en hij ontleent aan een mistsignaleringssysteem in de meest gevaarlijke situatie een schijnzekerheid.”

De SWOV zou niettemin best op meer plaatsen mistdetectie willen hebben. Onderzoeker Stipdonk: „Ik geloof graag dat zo’n systeem duur is. Maar het is beter dan alleen maar zeggen dat mensen beter moeten opletten en zeggen dat ze meer afstand moeten houden. Mensen raken nu eenmaal in paniek, dus je moet zorgen dat ze niet in zo’n situatie belanden. Afstand is in de mist lastig te schatten. Hoe kun je afstand houden tot je voorligger als je die niet ziet? Bij mist gaan mensen langzamer rijden, en bovendien juist wat dichter op hun voorligger. En ja, dan hoeft maar één iemand een rare manoeuvre te maken, en het gaat fout.”