Het romantisch ideaal van eenling versus wereld

Foto’s Andrew Bush

Het wemelt van de mooie, intieme, ontroerende foto’s op BredaPhoto, de zesde editie van het groots opgezette fotofestival dat dit jaar als thema de romantiek meekreeg. De organisatoren bespeuren een heropleving van romantische idealen, maar het begrip laat zich breed interpreteren, blijkens de bijdragen van 54 fotografen uit binnen- en buitenland.

Eerst een paar teleurstellingen, want die zijn er ook. Van liefst vier fotografen – de Nederlander Martijn van de Griendt, Belgen Jeroom Vanderbeeke en Diego Slosse en Amerikaan Todd Hido – worden series geëxposeerd die getuigen van een nogal platte kijk op wat romantiek, of liefde, behelst. Het levert zalen vol vrijwel identieke meisjes op: jong, blank, bloot of bijna bloot, blanco gelaatsuitdrukking, meestal in de buurt van een bed. De fotograaf/ voyeur viert zijn begeerte en laat verder niets zien. Van de Griendt (1970) voert zichzelf in Exit Wounds (as if) quasi-bescheiden op als de man die de mooiste meisjes niet kan krijgen, maar tientallen polaroids van zijn exen bewijzen het tegendeel.

In een op zichzelf geslaagd, fictief beeldverhaal over de niksige suburb in Ohio waar hij opgroeide voert Hido (1968) vrouwen op als vriendinnetjes, hoertjes, slachtoffers van een misdrijf – of dat allemaal tegelijk.

De betere bijdragen zijn eerder gelieerd aan het romantisch ideaal van de eenling versus de wereld. Waar beter dan in de Verenigde Staten kan een fotograaf dat machtige, oneindige gevoel in beelden vangen? Andrew Bush (VS, 1956) fotografeerde voor zijn serie Drive in de afgelopen vijftien jaar talloze autobestuurders in de omgeving van Los Angeles door recht naast ze te gaan rijden en de lens naar binnen te richten: we zien ze van opzij, met de blik vooruit, in het glanzende harnas dat deel van hun identiteit is geworden.

Op het grasveld van de Chassé-promenade in Breda zoeven ze meer dan levensgroot voorbij – het werkt prachtig. Net als de geluksmomenten die Fotograaf des Vaderlands Koen Hauser (1972) van zomaar Nederlanders verzamelde en digitaal verfraaide.

Wiesje Peels’ circusserie Mimus kan in geen enkele omgeving mislukken. Peels (1975), zelf kind van een circusvader, reisde mee met Europese gezelschappen en legde daar de eenzame tussenmomenten van mens en dier achter de schermen vast. Een geschminkte pierrot doet een tukje op een kist; een aandoenlijk gerimpelde, zittende olifant trompettert voor een donkere tent – Peels portretteert ze met zoveel liefde en respect dat ze bewondering afdwingen.

Hetzelfde geldt voor de waarzeggers die Kris Vervaeke (België, 1957) opzocht in Hongkong. In kleine, tl-verlichte kantoortjes zitten ze te wachten op klanten wier handen en gezichten ze kunnen lezen. De krukjes rond hun bureaus zijn leeg, maar ze blijven wachten en hopen. Ook dat is romantiek.