Wat beter gaat als de premier president is

President van Nederland, zou dat iets voor Mark Rutte zijn? Dan kon hij als staatshoofd zelf het beleid voor komend jaar ontvouwen in de Ridderzaal. Vanuit zijn paleis zou hij vervolgens op een afstandje luisteren naar de verdediging er van in de Tweede Kamer. Dat was voortaan de taak van premier Dijsselbloem (PvdA), Dijkhoff (VVD) of hoe de op-een-na-belangrijkste leider dan ook mocht heten. En als de premier van dienst tegenviel, benoemde de president gewoon een ander. De eeuwige D66-leider Pechtold, of Mona Keijzer, intussen door CDA-leden gekozen als partijkoningin.

President Rutte zou ontspannen regeren. Hij kon een nieuwe meerderheid in de Kamer zoeken zonder tussentijdse verkiezingen. Een sterke executieve heeft zo z’n voordelen. Nooit meer die verlamming zoals in september 2014. Toen bleek bij Prinsjesdag dat de coalitie van VVD en PvdA halverwege zijn termijn de geest kwijt was. Heel Den Haag wist toen al dat de statenverkiezingen van 2015 zouden leiden tot cruciale nieuwe verhoudingen in de Eerste Kamer. De liberalen droomden al over een coalitie met CDA en D66. De sociaal-democraten zaten in het defensief, een kansloze positie. Hoe hard PvdA-leider Samsom ook geloofde in zijn eigen verhaal, hij kreeg het niet verkocht.

Politiek is grotendeels gereduceerd tot positiespel van partijen die almaar hun kansen bij de volgende verkiezingen berekenen. Het leidt tot een tikkie-breed-democratie – het risicoloos rondspelen van de bal, fantasieloos volgens geijkte patronen van grotendeels uitgewerkte ideologische tegenstellingen. Die worden in leven gehouden uit electorale berekening: partijen als VVD en PvdA hopen te winnen door in het midden te polariseren – met elkaar dus. Maar hoe lang werkt zo’n tactiek?

Tijdens de formatie van dit kabinet lag op het leesstapeltje van Rutte, liefhebber van politieke biografieën, President van Nederland, over het leven van Rutger Jan Schimmelpenninck, raadspensionaris in 1805 en 1806. „De eerste en enige president die ons land ooit heeft gehad”, noemde Rutte hem in 2012 bij de presentatie van het boek, al mocht Schimmelpenninck zich niet zo noemen. Wat Rutte fascineerde, zei hij, was dat die periode lang gold als een tijd van economisch verval en politiek gekonkel, terwijl zich nieuwe idealen en normen vastzetten in de politiek: vrijheden, gelijkheid en rede, burgerschap. Hij vond het een „tijd van snelle modernisering en grote stappen vooruit”.

In 1806 werd Schimmelpenninck, zetbaas van Napoleon, aan de kant geschoven. Nederland werd onder Lodewijk Napoleon een koninkrijk en Schimmelpenninck trok zich terug op landgoed Nijenhuis in Overijssel. Op dat landgoed kwam het kabinet Rutte II deze zomer bijeen om over de deze week gepresenteerde plannen te praten.

Als je naar de agenda kijkt van de bewindslieden van Rutte II, hun redes, hun werkbezoeken, zie je dat ze het steeds drukker krijgen met de technologische revolutie, die nu echt begint door te zetten. Zorg, sociale voorzieningen, het onderwijssysteem: niets kan hetzelfde blijven naarmate mensen hun leven meer kunnen inrichten op grond van individuele keuzevrijheid, en naarmate (Amerikaanse) bedrijven met data en passende technologie meer regulerende macht krijgen dan ouderwetse overheden. Beroepen veranderen, de sociale verhoudingen, de arbeidsmarkt.

Maar in de plannen voor 2015 staat de technologische revolutie niet centraal. Daar gaat het over de internationale onzekerheid, soberheid en voorzichtige hoop op groei.

Een nieuw staatsbestel is geen voorwaarde voor grote verandering. Eerder is het andersom: als economie en samenleving revolutionair veranderen, verliezen gevestigde politieke vormen geleidelijk hun kracht, en volgt vroeg of laat een nieuw systeem – maar niemand weet hoe en wanneer.