Verlies Schot is verlies Brits-zijn

Uit de terughoudendheid van Cameron om zich actief in de discussie over de Schotse onafhankelijkheid te mengen, blijkt een gebrek aan betrokkenheid en aan geloof in de zaak van Groot-Brittannië, meent Frank Furedi.

illustratie Aislin

In juli maande de Britse premier David Cameron het volk om ‘zich niet meer te genereren over zijn Brits-zijn’. Uit de mond van iemand die tijdens de campagne voor het Schotse referendum zo angstvallig op de achtergrond is gebleven, riekt zo’n uitspraak naar kwade trouw. Want als er iemand beschroomd en defaitistisch over zijn Brits-zijn doet, is het wel de Britse premier.

Natuurlijk heeft Cameron niet het monopolie op politieke lafheid. De hele politieke klasse in Westminster heeft zich teruggetrokken uit de strijd om de handhaving en het behoud van de integriteit van de instellingen van het land dat ze zogenaamd vertegenwoordigt. In plaats van de politieke verantwoordelijkheid voor het behoud van de Britse soevereiniteit te nemen, heeft de politieke klasse de taak om voor de Unie te strijden uitbesteed aan een vrij kleine groep van voornamelijk Schotse Labourpolitici.

Deze strategie waarin de gevestigde orde van Westminster afstand van de referendumcampagne hield, was een duidelijke boodschap van defaitisme aan de Schotse bevolking. Uit de terughoudendheid van vooraanstaande politici om zich actief in de discussie over de Schotse onafhankelijkheid te mengen, blijkt in feite een gebrek aan betrokkenheid en aan geloof in de zaak van Groot-Brittannië.

Het onverantwoordelijke gedrag van de Britse politieke elite beperkt zich niet tot haar angst om deel te nemen aan de ideeënstrijd. Het meest roekeloze aan haar reactie was misschien nog wel de nonchalante omgang met wezenlijke vraagstukken als de aard van de grondwet en de territoriale integriteit van het land. Tijdens het hele debat heeft de Better Together-campagne de Unie voorgesteld als een administratief gemak waarmee alle gemeenschappen gediend waren. De hoofdargumenten van de campagne tegen de Schotse onafhankelijkheid richtten zich op economische kwesties, zoals de vraag of Schotland als munteenheid het pond zou kunnen blijven gebruiken. Maar deze argumenten gingen voorbij aan wezenlijke historische vraagstukken als nationale identiteit, loyaliteit en het soort maatschappij dat mensen in staat zou stellen te floreren en een goed leven leiden. Daarmee aanvaardde Better Together stilzwijgend de morele en culturele argumenten die de Schotse Nationale Partij (SNP) naar voren bracht. Zo was de enige vraag die in het geding was of er al dan niet onoverkomelijke economische beletselen waren voor de verwezenlijking van anderszins loffelijke idealen. Door deze zuiver economische nadruk – ‘Wat is jullie plan-B voor het pond?’ – heeft de Ja-campagne in feite een morele superioriteit kunnen verwerven.

Door deze aarzelende wijze waarop de Nee-campagne de verdediging van de Unie heeft gevoerd, heeft holle retoriek van de SNP een zekere geloofwaardigheid weten te verkrijgen. Van haar kant heeft de SNP het opportunisme van haar tegenstanders meer dan geëvenaard. Vandaar dat SNP-premier Salmond veel meer op zijn gemak leek in een discussie over economische en technische kwesties – de nationale gezondheidszorg, sociale zekerheid, etc. – dan bij een schets van een toekomstvisie op de Schotse natie. Niet eenmaal is hij gedwongen om uit te leggen waardoor de Schotse nationale geest nu door de Engelse opperheren werd gedwarsboomd.

Een van de meest verontrustende aspecten van de campagne is dat dit debat over de toekomst van Groot-Brittannië beperkt is gebleven tot het Schotse publiek.

Natuurlijk is het aan de bevolking van Schotland om over onafhankelijkheid te beslissen. Maar omdat de uitslag van even groot belang is voor de inwoners van Engeland, Wales en Noord-Ierland als die van Schotland, zouden zij ook actiever bij de kwestie hebben moeten stilstaan. De afbraak van het Verenigd Koninkrijk heeft gevolgen die veel verder gaan dan het verlies van Schotland – ook de historische en institutionele basis van een van de oudste nationale staten ter wereld zou erdoor ontregeld raken. De versnippering van het Verenigd Koninkrijk zou niet alleen een zwak en mogelijk instabiel Schotland tot gevolg hebben – ze zou ook de instellingen en de manier van leven in de rest van Groot-Brittannië kunnen ondergraven. Het verzuim om de Britse bevolking voor te bereiden op de negatieve gevolgen van een Ja in het referendum, zal het trauma alleen maar versterken als de Schotten inderdaad Ja stemmen.

Onder andere omstandigheden had de campagne de gelegenheid kunnen bieden om de problemen te benoemen waar de Britse samenleving voor staat en de waarden en doelstellingen kunnen verhelderen die ons aller leven bepalen. Als de politieke klasse niet zo beschroomd zou zijn geweest over haar Brits-zijn, zou het referendum zelfs een kans hebben geboden om over de betekenis daarvan te debatteren. Want dat is hoe dan ook een debat dat gevoerd dient te worden, wil de maatschappij zich in een democratische en positieve richting ontwikkelen.

Wat er op de dag van het referendum ook gebeurt, het zal de bevolking van Schotland noch de rest van het Verenigd Koninkrijk ten goede komen. Het enige dat er zal gebeuren is dat we aan de crisis van het Brits-zijn ook nog eens een crisis van Schots-zijn zullen kunnen toevoegen – en dat we vermoedelijk getuige zullen zijn van het voortgaande verval van de huidige gebruiken van het Britse politieke leven, die een aanzienlijke tijd van kracht zijn geweest.