’t Is wel een beetje raar, nu al dertig jaar

Dertig jaar geleden kwam de eerste Macintosh uit. De innovatie ging nooit zo hard als in deze drie decennia. Dat zal ook voor de volgende dertig jaar gelden. Onze meest gewaagde voorspellingen zullen nog te tam zijn, zegt Pepijn Vloemans.

In het jaar dat ik geboren werd - 1984 - kwam de eerste Macintosh op de markt. Het was de eerste betaalbare en gebruikersvriendelijke computer en daarmee een mijlpaal in de computergeschiedenis. „We staan pas aan het begin van wat een bijzondere doorbraak zal zijn voor de meeste mensen”, profeteerde Steve Jobs over zijn geesteskind.

Hij kreeg gelijk: de afgelopen dertig jaar is het tempo van digitale innovatie krankzinnig geweest. Sinds de eerste Macintosh hebben we door uitvindingen als het internet en de smartphone meer ontwrichtende innovaties gezien dan iedere andere dertig jaar in de geschiedenis van de mensheid. De consequenties die deze technologieën hebben voor werk, productiviteit, privacy en onderwijs beginnen nu pas tot ons door te dringen. Maar tijd om bij te komen is er niet, want de komende drie decennia zullen de laatste drie doen verbleken.

Dit zeg ik niet zomaar; er zit logica achter deze versnelling. Kijk maar naar de grote geschiedenis van de menselijke beschaving. Gedurende het grootste deel van het bestaan van de mens ging verandering zo traag dat een individu het niet kon opmerken. Millennia gingen voorbij zonder nieuwe uitvinding. Een kunstzinnige aangelegde voorouder tekende buffels op een grotwand en daar bleef het vervolgens bij. Zelfs de uitvinding van landbouw, zo’n tienduizend jaar geleden, verspreidde zich tergend langzaam – in millennia – over de wereld.

Het tempo nam een beetje toe na de Middeleeuwen: de verspreiding van de boekdrukkunst was in Europa slechts een kwestie van decennia. Na de industriële revolutie eind achttiende eeuw kwam innovatie pas echt op stoom en werd plotseling merkbaar voor het individu. Wie begin twintigste eeuw geboren werd, heeft elektriciteit, auto's, radio en televisie in één leven zien opkomen. Het tempo van de laatste decennia is weer van een nieuwe orde. De afgelopen zeven jaar is de smartphone met touchscreen van duur statussymbool voor de elite getransformeerd tot een apparaat dat voor enkele tientjes in India wordt verkocht.

Voortplanting wordt wetenschap

Innovatie is een volkssport aan het worden: wat gisteren een briljant idee was op Kickstarter, is morgen dankzij de steun van enthousiaste backers werkelijkheid.

Het steeds hogere tempo van doorbraken is volgens schrijver en uitvinder Ray Kurzweil toe te schrijven aan ‘the law of accelerating returns’. In zijn boek The Age of Spiritual Machines (1999) beschrijft hij hoe belangrijke uitvindingen een positieve terugkoppeling hebben op het vermogen van de mensheid om nog meer van zulke belangrijke uitvindingen te doen. Internet is daar het ultieme voorbeeld van: door de uitvinding van het internet konden goede ideeën zich plotseling met minimale weerstand over de globe bewegen.

Het gereedschap, de kennis en de computerkracht die vandaag tot onze beschikking staat, is vele malen beter dan dertig jaar geleden. Daar komt nog bij dat vandaag in absolute zin meer mensen bezig zijn met technologische innovatie: denk aan de opkomst van miljoenen Indiase programmeurs en Chinese ingenieurs.

Wat betekent dit voor de toekomst? Waarschijnlijk dat zelfs onze meest gewaagde voorspellingen nog te tam zullen zijn. Als we de law of accelerating returns serieus nemen dan leven we in 2044 niet in een wereld die enigszins verschilt van vandaag, maar in een wereld die radicaal anders is.

De aanwijzingen daarvoor liggen op straat. Neem virtual reality (VR). Na een valse start in de jaren negentig staat de Oculus Rift op het punt door te breken voor het grote publiek. Het zou me verbazen als er over dertig jaar géén VR bestaat die vrijwel net zo realistisch is als de werkelijkheid. Net als in films zoals The Matrix (1999) en ExistenZ (1999) zal het begrip ‘werkelijkheid’ daarmee op losse schroeven komen te staan. Of kijk naar de biotechnologie. Het grote genetische sleutelen aan mensen komt door exponentiële kostendaling snel binnen bereik. De kosten om een enkel menselijk genoom te ontcijferen, daalden van meer dan honderd miljoen dollar in 2001 naar een paar duizend dollar nu. Met de opkomst van goedkope, persoonlijke genoomanalyse kunnen niet alleen ziektes beter worden voorspeld en worden voorkomen, maar zal het selecteren van gewenste eigenschappen in baby’s (zoals gezondheid, intelligentie en schoonheid) toenemen of zelfs normaal worden.

Voorplanting zal van een natuurlijk proces veranderen in een wetenschap. Of neem de interactie met computers. Door de opkomst van kunstmatige intelligentie (AI) zullen we net als in de film Her (2013) in 2044 kunnen praten met computers. Software die weet wie we zijn en wat we willen kan onze levens optimaal inrichten. Wat dit betekent voor onze privacy is een tweede.

Ook de fysieke wereld zal ingrijpend transformeren. Drones en robots worden na decennia zonder noemenswaardige vooruitgang plotseling volwassen. De komende dertig jaar zullen ze naast ons komen te werken in huishoudens en fabrieken. De kans op werkloosheid van een groot deel van de bevolking is reëel. Zelfrijdende auto’s zullen niet alleen onze wegen veiliger en ons vervoer slimmer maken, maar ook het einde van taxichauffeurs naderbij brengen. En de kans op misbruik is groot. Wanneer robots in verkeerde handen vallen, zullen ze – zie The Terminator (1984) – onze veiligheid bedreigen.

Niet alle ontwikkelingen zijn problematisch. Ook in de wereld van energie onderschatten we de veranderingen van exponentiële groei. Zonnepanelen volgen namelijk evenzeer een extreem steil groeipad en snel dalende kosten. In 1999 werd wereldwijd voor het eerst één gigawatt aan zonne-energie bereikt. Het Internationaal Energieagentschap (IEA) voorspelde in 2006 dat pas na 2030 het honderdvoudige hiervan bereikt zou worden. Toch werd deze mijlpaal al in 2012 gehaald. Als de exponentiële groei doorzet, zal zonne-energie in 2044 de primaire energiebron op aarde zijn.

Exponentieel denken is, net als statistiek en kansberekening, lastig omdat het niet-intuïtief is. Toch leren we zelden systematisch na te denken over de komende dertig jaar. VR, biotech, AI, drones, robots en zonnepanelen; ze zullen hoe dan ook enorme consequenties hebben. Oude beroepen zullen in een hoog tempo sneuvelen. Nieuwe ethische vragen zullen volgen. De genetische verbetering van ons nageslacht stelt ons voor wezenlijke vragen over gelijkheid. Big data heeft consequenties voor onze privacy en vrijheid. Superslimme kunstmatige intelligentie kan door softwarefouten makkelijk ontaarden in een nachtmerrie.

Noch de overheid, noch het bedrijfsleven, noch universiteiten lijken dit ten volle te begrijpen. Dat is kortzichtig. Willen we technologische dilemma’s en kansen, gevaren en mogelijkheden tijdig zien aankomen, dan zullen we beter moeten leren nadenken over de toekomst. De komende dertig jaar zullen we met meer ontwrichtende technologieën te maken krijgen dan ooit tevoren. Naast het vak geschiedenis is het vak toekomst dringend gewenst.