Syriërs? Gemeenten helpen liever mensen die er al zijn

Gemeenten willen illegalen helpen, maar voor Syrische vluchtelingen hebben ze geen plaats. Hoe kan dat?

Het zijn drie lastige dossiers die op het eerste gezicht weinig met elkaar te maken hebben. De opvang van illegale, uitgeprocedeerde vreemdelingen. Het kinderpardon, dat voorziet in een verblijfsvergunning voor kinderen die langer dan vijf jaar in Nederland zijn. En de opvang van duizenden Syrische vluchtelingen, vanwege het aanhoudende geweld daar.

Toch knoopte staatssecretaris Fred Teeven (Veiligheid en Justitie, VVD), voor alle drie verantwoordelijk, ze afgelopen weekend eens aan elkaar. De publieke discussie gaat vaak over het kinderpardon en uitgeprocedeerden, zei hij tegen de NOS, maar de opvangproblemen van Syriërs noemde hij de „echte acute problemen, waar nu ook eens aandacht voor mag zijn”. In alle drie gevallen moet Teeven met burgemeesters zaken doen. Bij twee van de drie vragen zij iets van hem.

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten vindt dat er een bed-bad-broodvoorziening, een basale vorm van opvang, moet komen voor illegale vreemdelingen. Teevens VVD is tegen zulke opvang en dat is tot nu toe ook het kabinetsstandpunt: wie uitgeprocedeerd is, kan immers opvang krijgen als hij meewerkt aan terugkeer naar zijn land van herkomst. Punt van de gemeenten is dat een groep mensen zonder verblijfsvergunning ‘overblijft’ die zegt niet terug te kúnnen.

Dit voorjaar kwamen 140 burgemeesters met een manifest, onder initiatief van burgemeester Hans Martijn Ostendorp van de gemeente Bunnik. Ze riepen staatssecretaris Teeven op om afgewezen kinderen voor het kinderpardon toch een verblijfsvergunning te geven. Het zou om enkele honderden kinderen gaan. De regels voor het kinderpardon liggen in het regeerakkoord vastgelegd. Toch aarzelen de burgemeesters niet om voor hun individuele kinderen – Dennis, Shenjun, Mina – in de media aandacht te vragen en Teeven onder druk te zetten.

Nu vraagt de staatssecretaris iets terug. Hij wil dat gemeenten vaart maken met huisvesting van asielzoekers die een verblijfsvergunning hebben gekregen. In de asielzoekerscentra zitten nu 22.000 mensen. Daarvan hebben tussen de zes- en zevenduizend al een status, het wachten voor hen is op woonruimte die gemeenten voor ze moeten regelen. Als dat niet gebeurt, ‘stokt’ de doorstroom en moet het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) nog meer opvang regelen.

Daarbij komt, maar dat kan geen van de partijen hardop zeggen: gemeenten zijn niet altijd even enthousiast om een asielzoekerscentrum in hun dorp of stad te huisvesten. Bovendien is asiel typisch zo’n onderwerp waar gemeenten weinig over méé te bepalen hebben, en dat stuit op natuurlijke weerstand: het rijk vraagt, de steden en dorpen moeten maar leveren. Illustratief is Bunniks burgemeester Ostendorp – die van het kinderpardon. Hij had gisteren op Radio 1 wel begrip voor Teevens oproep, maar kon of wilde niet concreet zijn over hoeveel asielzoekers hij kwijt zou kunnen. „Wij zijn maar een kleine gemeente.”

Viel de instroom van Syriërs niet te voorspellen, zodat de bewindspersoon deze opvangproblemen had kunnen voorkomen? Ja en nee. Het conflict in Syrië is natuurlijk niet gisteren begonnen. Maar wie nog iets verder terugkijkt, ziet dat het COA afgelopen tien jaar hoofdzakelijk bezig is geweest met asielzoekerscentra sluiten. Met teruglopende aantallen asielzoekers was het probleem ook voor gemeenten naar de achtergrond verdwenen. Tot dit jaar. Het COA (her)opende al vijftien centra. Ook ‘gevoelige’ locaties voor mensen die misschien een oorlogstrauma hebben, zoals gevangenissen en kazernes. Gisteren kwam daar een zevende gevangenis bij, die in Hoogeveen. Die biedt vanaf eind dit jaar onderdak voor maximaal duizend mensen. Dat is bijna het aantal Syriërs dat nu maandelijks naar Nederland komt.