Rol van kunstenaar past Rudolf Steiner

Het was een onmogelijke opgave, maar zo belangrijk, kunstenaars móésten hem een eeuw geleden wel aangaan: het verbeelden van de onzichtbare waarheid achter de ons omringende realiteit van alledag. Plato had die ideeënwereld destijds al gemeld en nu werd deze verkondigd door Rudolf Steiner (1865-1921), de Oostenrijkse esotericus.

Als kind had hij zijn helderziendheid ontdekt, in zijn volwassen leven werd hij grondlegger van de antroposofie in een zakelijke wereld. Deze zakelijkheid lokte tal van occulte bewegingen uit en daarin was Steiners invloed enorm: decennialang waren kunstenaars bevangen door het idee om een diepere spirituele waarheid te visualiseren – Mondriaan, Kandinsky, Beuys. De Kunsthal opent nu een grote tentoonstelling over Steiner – niet zozeer als ecologisch denker of vernieuwer van het onderwijs, nee: Steiner als kunstenaar.

Dat die rol hem past, blijkt uit het feit dat de tentoonstelling vol is met tekeningen en maquettes. Steiner ontwierp sieraden, meubels, gebouwen. Hij maakte bijvoorbeeld besloten en kleurige ruimtes met een helende werking en tekende energiestromen, sferen, astrale lichamen.

Zijn discipelen corrigeerde hij wanneer ze niet op juiste wijze de kleurenleer toepasten, of hun lijnen te recht waren. Vóór 1920 was zijn ontwerpstijl vooral organisch vloeiend, daarna meer facetvormig, verwijzend naar kristallen als geleiders van mystieke krachten.

De stap naar de sjamanistische kunstenaar Joseph Beuys is klein, die in de jaren zestig magische kwaliteiten toedichtte aan vilt en was. Of naar de antroposofische architectuur die nog steeds veel verrijst, van veelhoekig hout.

Die herkenbaar antroposofische stijl rukte op om de fysieke wereld te verbeteren. Maar om een diepe waarheid te verbeelden, was beeldende kunst geschikter dan vormgeving of bouwkunst. Steiner tekende dan ook en maakte sculpturen, al was het een verrassing toen zijn tekeningen te zien waren op de vorige Biënnale van Venetië. Steiner? Als kunstenaar? Toch paste hij goed in de tentoonstelling over outsiders, zoektochten, mystiek. Velen gniffelden er tevreden over dat bijdragen van Steiner en Jung daar een hoofdrol speelden. Want werk van voorgaande edities van de Biënnale werd aansluitend op beurs Art Basel in geld omgezet maar hé, Steiner en Jung, die zijn niet meer te koop. Sliepuit naar de commercie.

Toch zat er wat censuur in die Biënnale, zou je kunnen zeggen: Steiner was er als kunstenaar vertegenwoordigd met expressionistische krijttekeningen, prachtig à la Cy Twombly of Basquiat, maar zelf zag hij deze meer als educatief materiaal. Zijn échte kunst, zoals zijn ambitieuze sculpturen, blijkt in de Kunsthal buitengewoon pathetisch. Het zijn uit hout gehouwen Christusfiguren en euritmiedanseressen die er artistiek onbeholpen en ouderwets uitzien. Was het onmacht of vond hij realisme nodig om te bewijzen dat het heus een realiteit was, die wereld die hij als ziener zag? Het was aan mensen als Mondriaan (met toch behoorlijk rechte lijnen) om Steiners mystieke gedachten visueel op een hoger plan te krijgen.

Maar al was Steiner een matig kunstenaar en als vormgever niet ondogmatisch, zijn denken was ongelooflijk veelzijdig en invloedrijk. De laatste tijd lijkt zijn erfenis zelfs invloedrijker dan ooit: ecobewustzijn, ambacht, biologische landbouw, alternatieve geneeskunde, bijen houden, en nota bene een groei van vrije scholen.